17-07-17

Gelukkig een einde in het zicht voor de PALING opvreeters

Vlaamse bioloog waarschuwt: "Onverantwoord om nog paling of baars te eten"

 - Redactie - Bron: Belga, De Standaard
 1©Thinkstock

De Vlaamse rivieren bevatten te veel pesticiden, kwik en vlamvertragende stoffen. Toch verorberen we jaarlijks nog 30 ton paling uit onze rivieren. "Onverantwoord", zegt bioloog Claude Belpaire van het Instituut Natuur- en Bosonderzoek (INBO) in De Standaard.

Samen met collega's van de Universiteit Antwerpen deed Belpaire, in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij, metingen in elf rivieren en kanalen. Hij ging er op zoek naar de aanwezigheid van twaalf schadelijke stoffen in het spierweefsel van baars en paling.

Uit de metingen blijkt dat in alle meetpunten in Vlaanderen sommige schadelijke stoffen in een te ­hoge concentratie in baars en paling voorkomen.

Overal is de kwik­vervuiling hoog, maar vooral in de Demer, de Dijle en de Dender is die problematisch. Voor fluorhoudende stoffen is het kanaal Gent-Terneuzen er het slechtst aan toe. De ­Bovenschelde, ten slotte, kent een hoge vervuiling door vlamvertragende stoffen die verwerkt zijn in allerhande bouwmaterialen en elektronica.

Voor de bioloog is het duidelijk: het is onverantwoord om nog paling, baars of andere riviervis te eten.

09:08 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

15-07-17

Oneerlijkheid

Of ik zelf ook wel altijd eerlijk ben geweest in mijn leven?

Tuurlijk niet, maar ik moet wel ver gaan zoeken om iets te vinden dat op oneerlijkheid gelijkt. 

In mijn tweede studiejaar in de Vakschool van Roeselare had ik geen tijd gevonden om het vak "Elektrische Motoren" helemaal uit mijn hoofd van buiten te leren en had ik dus besloten de helft ervan op de palm van mijn linkerhand over te schrijven voor het volgende examen. In kleine letterkes, weliswaar. Ik was vooral bang voor de twee belangrijkste formules van Einstein en ze me niet te herinneren op het ogenblik dat ik ze het meest nodig had, zijnde: W = I x U en I = R/U. Deze laatste ingewikkelde formule was eigenlijk zelfs gemakkelijk te herinneren voor mij, want het rechtse part ervan maakt deel uit van mijn voornaam. In het leven echter mag men niets aan het toeval overlaten, want op het meest onverwacht moment ziet men een blank blad in uwen stommekop.

Ik had onze meester, sinds het begin van de test, fel in de ogen gehouden, maar toen hij ineens uit mijn gezicht verdween profiteerde ik van het ogenblik om mijn links hand omver te draaien en in de palm ervan naar een bepaald antwoord te zoeken. Meteen echter voelde ik een ijzige hand op mijn schouder rusten en besefte ik tezelfdertijd hoe zwaar de oneerlijkheid wel weegt.

Hij, de meester (ik geloof, Van Gheluwe?), was eerder klein van gestalte maar nogal breed uitgezet. Het beste wat men van hem wist te vertellen was dat hij bekwaam was de spanning te constateren van een stopcontact door er zijn twee vingers in te steken. Kreeg hij een grote schok, dan was dat een spanning van 220 V. Was de schok kleiner, dan was de spanning slechts 127 volts. Ik vermoed dat hij veel heeft moeten oefenen vooraleer de truck onder zijn knie te hebben kunnen krijgen. 

Maar toen was hij helemaal niet geïnteresseerd in mijn spanning en kon ik amper vermijden dat er zich een druppel pis losbrak vanuit mijn aanhangsel, rechtstreeks in mijn onderbroek. Hij verwees me meteen naar buiten en ik kreeg een ronde NUL op zijn vak. Ter gelegenheid van het volgende examen heb ik mij verplicht gevoeld mezelf te overtreffen en heb ik zelfs beide palmen moeten vol schrijven met ingewikkelde formules. Gelukkig was hij toen druk bezig de krant, hoog op geheven tussen zijn handen, aan zijn bureau, aandachtig voort te lezen en ben ik er uiteindelijk in geslaagd 60,01% van de nodige punten te behalen, goed genoeg dus voor zijn volgende vak: nucleaire motoren voor gebruik in atomisch gedreven duikboten en in straaljagers van de vijfde en laatste generatie..

Ongeveer gedurende datzelfde jaar heb ik, ik begrijp nog altijd niet goed waarom (maar het heeft me altijd op mijn geweten blijven hameren) een klein gekleurd zakboekje (over de zorgen waarmee rekening moest gehouden worden gedurende het onderhoud van vogelkooien, thuis) onder mijn broekriem verborgen omdat ik wist dat de vrouw van Drukker Verduyn in de Roeselaarsche Steenweg) de klanten altijd verscheidene minuten liet wachten vooraleer ze het gordijn tussen haar woonkamer en de winkel open trok. Moest Aurel Verduyn (haar zoon, van ongeveer mijn zelfde leeftijd) dit stukje tekst toevallig te lezen krijgen, dan wil ik hem alvast nog proberen te vergoeden voor het failliet gaan van de winkel.

Heb ik mijn moeder eens echt zalig en langdurig doen lachen, tot de tranen ervan uit haar ogen rolden, dan was dat te wijten aan dit volgend, al eerder vermeld, oneerlijk voorval:

Ik had de opdracht gekregen haar van twee volgepropte bakken vuilnis te ontdoen (ogenblikken nadat de vuilniskar gepasseerd was) die ze, zoals gewoonlijk, tijdig had vergeten buiten te zetten. Ik slaagde erin ze in de koffer van onze auto te wringen en weg was ik, straat in, straat uit, dorp in, dorp uit, traag rijdend om spiedend een geschikte plaats te vinden waar ik mij geniepig onze hevig stinkende afval zou kunnen kwijt geraken, zonder dat iemand daar zou op letten, vooral de commissaris die in onze straat woonde en die voortdurend op de loer lag om er een lid van de familie "Van Leuven" op te kunnen betrappen eender welke overschrijding van de wet aan het begaan te zijn. Daarom trachtte ik er zo onschuldig als mogelijk uit te zien, zelfs onnozel, wat niet erg moeilijk was.

Ineens reed ik een praktisch onbewoond veldbaantje in, met ronde kasseistenen, in Oekene al, grenzend aan Rumbeke en waar ik, ongeveer vijftig meter verder twee lege, ronde bakken wist te onderscheiden, onvoorzichtig scheef neer gesmeten, naast een grachtje, precies gepast in omvang voor het doel in zicht en ik besloot te stoppen, omdat ik die gelegenheid absoluut niet wilde verliezen en zelfs vermeed rond te gluren om na te gaan of er iemand mij aan het bespieden was en ik, blij met het gelukkig toeval, onmiddellijk besloot de inhoud van de eerste bak van eigenaar te doen verwisselen, tot ik opeens uit mijn toestand van "verdachte persoon" wakker werd geschud door een schelle vrouwenstem: "Allez, allez, wazijdegij daaraan 't doene, gijne vuile smeerlap, stopt daarmee, verdimme; en directééé!!", maar ik deed alsof ik niets had gehoord, terwijl ik toch langs mijn neus weg opmerkte dat het zich om een weelderige boerin betrof met een fel vooruit priemende boezem die met grote treden en armzwaaiend, zoals de wieken van een molen, naar mij toe beende, halverwege een aardepad van ongeveer honderd meter lang, dat van de boerderij naar de baan leidde en waar ze zeker al op weg naar was geweest om haar lege vuilnisbakken te gaan ophalen, toen ze mij met argwaan had zien stoppen en haar stappen nerveus had óp gedreven om mij nog juist bij mijn kloten vast te kunnen grijpen, iets waar ik absoluut niet naar verlangde en besloot ongedeerd maar met opwellende haast ook de tweede bak rap te ledigen en plots begreep dat de vuilniswagen daar juist ook gepasseerd moest zijn geweest en ik me beter rap weg moest scheren en daarom blozend van de opwinding terug achter het stuur kroop terwijl ze het zware gietijzeren boerderij hekken, niet zonder moeite, open zwierde, want het liep niet op wielekes natuurlijk en ze nogmaals hevig zwaaiend en tierend beval dat ik moest stoppen en terugkeren, want dat ze de politie zou roepen en toen ik de bocht indraaide, wat verder, haar juist nog zag de zware, overbelaste bakken, die dreigden omver te vallen in de gracht, de richting van het hekken ín, te sleuren, omdat het streng verboden was de vuilnis té vroeg buiten te zetten...

Mijn Mama heeft zich jarenlang dit toneel voorgesteld en heeft er iedere keer hartelijk mee gelachen. Het enige goede wat ik voor haar heb kunnen doen.

Een "deugniet" is mild uitgedrukt.

07:26 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

14-07-17

Momenten van Bevriezende Frustratie en Verlammende Zwakheid (2)

De ontvoering van mijn zoon (zoals eerder al beschreven):

"Iets minder tragischer, dat zich met Rudo Júnior, in Rio de Janeiro nog, heeft afgespeeld, was zijn ontvoering door mijn eerste vrouw en zijn moeder. Soms had ze zo van die vlagen van totale ontreddering, dicht bij de waanzin aanleunend. De voorafgaande keren was het altijd bij het tieren en het "schandaal maken" gebleven, terwijl ze toch niet aarzelde onze voordeur wijd open te smijten, zodat alle aangrenzende buren nieuwsgierig hun neus naar buiten staken om na te gaan wie er precies vermoord zou worden. De oorzaak was normalerwijze door mij onbekend en stond ze me al woedend en met schuim (figuurlijk gesproken) op haar lippen op te wachten, toen ik, volledig onschuldig en op niets voorbereid, thuis kwam, uitgeput van het werk. De redens varieerden van een dom bekgevecht met de beenhouwer die wat te veel vet tussen het gekapt had gestoken (en zij hem gezworen had ’s avonds met haar man terug te keren), tot en met die tergende telefoontjes die ze ontving van een, mij nog altijd onbekende vrouw, die haar uitdrukkelijk aanraadde zich van mij te scheiden. Op die gelegenheden hield ik natuurlijk wijs mijn mond om het laaiende vuur niet aan te wakkeren, maar meestal eindigden die hevige ruzies met haar onweerstaanbare pogingen zelfmoord te plegen. Het waren eigenlijk geen echte pogingen want ze deed het nooit terwijl ze alleen thuis was en wel als er iemand toevallig dicht bij haar stond, zoals een vriendin, een zuster of een broer die bij mij inwoonden. Die slaagden er dan gelukkig in haar nog net op tijd bij haar kraag vast te grijpen. Ikzelf trok me dan altijd verschrikt terug in mijn werkkamer want ik ben nooit goed bestand geweest tegen zulke soort drama’s. Dan gaven ze haar wat kalmeringsmiddelen, begon ze luid te schreien en snikkend ging ze dan gaan slapen. 's Anderendaags vroeg werd ze altijd het eerst wakker, raadpleegde ongeduldig het uurwerk en weg was ze, naar de universiteit of naar het kantoor. Alles vergeven en vergeten.

Zij had toen al een nieuw autootje gekocht, met mijn geld natuurlijk, een Fiat 147, dat ik wat later zelfs aan één van haar toevallige, minder-in-de-poen-zittende, vrijers heb moeten afstaan, maanden lang, terwijl ikzelf vele keren naar mijn werk moest tjoolen met de bus, of met een vriend, liftend. Als dank en wraak verplichtte hij (haar vrijer dus) mijn zoontje, hem als “Papai” te noemen.

Heerlijk, en ik was zelfs nog niet eens dood…

Één enkele keer is ze echter duidelijk té ver gegaan. Zelf weet ik niet juist waarom. We hadden toen pas een appartement, alleen op haar naam, gekocht, een paar blokken verder van het bestaande, in een wijk genaamd Grajaú, in Rio, dat voor mij bestemd bleef, alhoewel wat ouder en minder ruim, natuurlijk, maar een prachtig uitzicht aanbood over een groot deel van de stad. We hadden ons die twee appartementen praktisch contant aangeschaft, in een korte tijdspanne, met méér dan tachtig percent van mijn inkomen, nadat we ons eerste appartement hadden verkocht en waar alles, eigenlijk, begonnen was. Soms heb ik er nog heimwee aan, alhoewel Hilma, toen al ambitieus en vooruitstrevend, een beetje beschaamd was over die wijk en elke keer iemand belangstellend wilde weten waar we woonden, ze in plaats van de naam van de echte wijk te vermelden (Praça Da Bandeira), ze de naam van de aangrenzende wijk (Tijuca) gebruikte, eraan toevoegend dat het gebouw zich op de grens van de twee wijken bevond.

Hilma heeft dan rap voor haar verhuis gezorgd, niet nalatend de beste en schoonste meubelen en andere belangrijke en kostelijke huiswaren, mee te grabbelen en besloot haar toen vers veroverde vrijer uit te nodigen haar te vergezellen. Ongelukkig voor mij was hij van dat type “dat nog gene nagel had om aan zijn jeukend gat te kunnen krabbelen”, alhoewel toen ook al advocaat, zoals Hilma, die zich een paar maanden vroeger in de Federale Universiteit van de Staat van Rio De Janeiro gevormd had en al degelijk geld begon te verdienen, genoeg om zichzelf, later, haar eigen kantoor en garage in het centrum van Rio, aan te schaffen, plus nog een huis aan het strand, ongeveer honderd kilometer ver weg, in het noorden van Rio.

Op een zonnige morgen was ik rustig in het kantoor aan het werken, toen ze me ineens opbelde. Schreeuwend en schreiend daagde ze mij uit haar meteen te gaan opzoeken. Ze had, tierde ze, zojuist onze zoon Rudo Júnior ontvoerd en was samen met hem in de auto, roekeloos, het wilde stadsverkeer in het centrum van Rio, aan het uitdagen. Straat in, straat uit, zonder weg te deinzen voor voetgangers, éénrichtingsverkeer, politieagenten en groenten- en fruitkarrekes. Ze dreigde voortdurend Júnior op het volgende moment te vermoorden en daarna zelfmoord te plegen. Ik zat versteend en radeloos in mijn stoel. Bleek als een lijk, veronderstel ik nu. Ze belde één keer van een bepaalde plaats, wierp de telefoon neer, belde een tweede keer vanuit een andere plaats, smeet de telefoon neer, belde een derde keer vanaf een nog andere plaats, wierp de telefoon terug neer en dáár zat ik, zonder op iets mogelijks te doen, te kunnen denken. Tenslotte belde ze een laatste keer op, al ver weg vanuit het centrum, de weg op naar afgelegen stranden (beweerde ze zelf) en gebood mij definitief afscheid van Rudo te nemen, want nu zou het gebeuren. Ze zette Júnior voor enkele weinige secondekes aan het telefoonapparaat en hij brabbelde wenend wat onverstaanbare woorden.

En dan overheerste de stilte. Wat nu doen? Ik had geen enkel gedacht van wáár ze precies te vinden zou kunnen zijn. Stranden zijn er in het noorden en in het zuiden van Rio. En was ze wel de waarheid aan het vertellen? Ten andere, het zou zeker geen goed idee zijn haar in die toestand te ontmoeten. Was het dan al storm, het zou een cycloon worden (ik ben niet van het type dat uitdaagt: “kom maar heet af, want ik ben al aan het koken”).

Volledig in de put besloot ik mijn hart te luchten bij de kantoorchef. Niettegenstaande mijn bestaande afkeer voor hem, veroorzaakt door zijn eeuwenoude “stampend naar beneden en gatlekkend naar boven” was hij, op dat moment, de enige persoon, bekwaam, met zijn berekende koelbloedigheid, een steun voor mij te betekenen. En ja, degelijk, de enige oplossing was, bevestigde hij: AFWACHTEN! Er was niks anders aan te doen. En dat heb ik met spannende buikspieren gedaan. Één, twee, drie uren lang. Gereed (??!!) om een telefoontje van de politie te ontvangen om mijn volledige naam en adres te bevestigen en me dan voorzichtig mede te delen dat, “ongelukkig genoeg, uw vrouw en kind...”.

Dat is dus niet gebeurd.

Ik kreeg wel een boodschap van haar nieuwe meid (de vierde of de vijfde in een rij), samen met een buurvrouw (in het gebouw waar ze toen al woonde), om me in te lichten dat beiden, moeder en zoon, daar zopas met alle mogelijk schandaal gearriveerd waren. Ze stonden beiden op het balkon van het appartement en Hilma dreigde, samen met Junior. die ze vast in haar armen klemde, naar beneden te springen, ongeveer dertig meter diep. De buurvrouw, die ik nooit eerder van mijn leven had ontmoet en tot heden nooit gekend heb, schelde me uit voor alles wat lelijk was, zoals lafaard, smeerlap, zoon van een hoer, plus andere, dergelijke maar nog slechtere vloekwoorden die ik me niet meer kan herinneren. De meid smeekte, ook schreiend, mij onmiddellijk naar het appartement te wenden om te beletten dat ze zou springen, Júnior meeslepend....

Maar toen juist begon ik me geruster te voelen. Blaffende honden die altijd maar blijven blaffen, bijten niet. Het grootste gevaar was over!!

Mijn aangezicht aan Hilma tonen, op zo’n ogenblik, zou haar vuur nog erger aanwakkeren. Dat wist ik. Zeker en vast. Dus belde ik naar Lígia (mijn nieuw lief toen en nu nog altijd, huidige, vrouw) en naar mijn eigen meid, Maria Domingas, waar ik nooit mijn handen naar heb uit gestoken, vooraleer ge dat begint te peinzen en toch beweert van mij te houden), om hen te smeken mij te vervangen in die beslissende opdracht. Alhoewel ze beiden, aanvankelijk, wel een beetje tegen stribbelden, hebben ze me niet ontgoocheld. Toen ze daar geraakten, een kwartier later, was de gehele wijk al op stelten gezet. Veel van de fel geïnteresseerde nieuwsgieriggaards vormden een halve kring daar beneden aan het gebouw en sommige, vooral toevallig voorbij passerende “moto-boys” en studenten die daar dichtbij studeerden, begonnen zelfs in koor “pula, pula, pula” te roepen (wat overeen komt met “spring, spring, spring”). Anderen zorgden er rap voor hun auto's, die daar beneden geparkeerd stonden, in veiligheid te brengen. Nog anderen keken onberoerd door hun eigen ruiten, hopend op een rappe beslissing, want het vlees stond al aan te branden. Ze bevond zich nog steeds op het balkon en bleef dreigen te springen, met Junior in haar armen; toen amper zes jaar oud...

Iemand had de brandweer geroepen en die waren er ook pas, met luide sirenes, bij gekomen. Meteen begon Hilma de officier van de brandweerwagen uit te schelden voor elke naam die ze zichzelf kon herinneren, onder andere, maar niet beperkt tot: “hoer die u gebaard heeft”, “bloedend gat”, “smerige bastaard”, “moederfucker”, “harde lulzuiger” en “crapule” (dat laatste heb ik er zelf bij gezet, want eens had een Brusselaar mij zó uitgescholden omdat ik daar, in Brussel dus, onze hoofdstad, mijn Vlaams had durven gebruiken en ik vond dat dat woord, al bij al, ik begrijp niet goed waarom, toch uitstekend te pas kwam), enzovoort (de meid kon zich ook alle gebruikte namen niet meer herinneren, toen we er achteraf, opgelucht, over ná praatten). De brandweer officier kreeg er zelfs hoofdpijn van want hij schoof zijn kepie wat achteruit en scharde verveeld aan zijn voorhoofd. Uiteindelijk besloot hij dat het, op dat terrein, eigenlijk té gevaarlijk werd voor hen en besloten ze ook alleen maar te blijven kijken, om dan pas later de brokken bijeen te moeten vegen.

Mijn meid, Hilma’s meid, Ligia en die onbekende buurvrouw, hebben haar op den duur toch kunnen overtuigen een glas water met suiker in te slikken, gemengd met een kalmerend geneesmiddeltje en haar uiteindelijk toch in slaap hebben kunnen krijgen.

De volgende morgen is ze vroeg wakker geworden en zonder tijd te verliezen is ze vlijtig naar haar werk vertrokken.

Diezelfde avond nog, voor de eerste keer in mijn leven, heeft Lígia mij met een taxi naar het hospitaal moeten voeren, met buikkrampen, die me beletten in slaap te geraken.

Rudo Jr. is ook nooit meer dezelfde geweest. Een paar weken later, toen ik hem treurig en alleen door het venster zag staren en hem vroeg wat er aan de hand was, antwoordde hij, volledig verslagen, dat hij verkoos “dood te zijn".

Ga met zo een gerucht in uw oren, als vader, gaan slapen.

Iedereen, in het leven, heeft precies wat hij verdient.

Ik heb het dus hoogst waarschijnlijk wel verdiend…."

18:47 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

12-07-17

Momenten van Bevriezende Frustratie en Verlammende Zwakheid

Slechts enkele keren in mijn leven heb ik, sedert mijn jeugdjaren, te kampen gehad met totale overgave aan nijpende FRUSTRATIE, met bijgevolg knikkende en trillende knieën die ik onvermijdelijk al kreeg iedere keer wanneer ik voor mijn vader had gestaan, gereed om, in alle geduld- en koelheid, afgeranseld te worden.

Dan wist ik al van te voren af dat het niet rap voorbij zou gaan en dat de marteling mij op mijn knieën (figuurlijk) zou dwingen, zodanig dat ik mijn pis niet kon blijven ophouden en overvloedig, rechtop (ook figuurlijk), maar wel met gebogen hoofd, de kraan van vanonderen, ongewild, open liet draaien, met als natuurlijk gevolg, de totale vernedering en de afgrijselijke schaamte ten opzichte van iedereen die mij toen, nuchter, gade bleef slaan, terwijl proberend tekens van heldhaftigheid en dapperheid te ontwaren, onder meer door mijn geliefde broederkes, wat echter niet mogelijk is geweest.

De allergrootste keer, die mij tot vandaag hindert, is gebeurd toen ik ongeveer dertien was en op de speelkoer van de Broederschool, in Roeselare nog, op de rug had gesprongen van mijn oudste broer die daar wat, in een rondje, aan het tateren was geweest met enkele van zijn collega's. Ik heb het al eens verteld hier, in deze blog, maar ikzelf krijg er nooit genoeg van. Het dient mij als basis wanneer ik wil begrijpen hoe scheel en scheef ik wel gegroeid ben.

"Feit is dat ik geen enkele genegenheid koesterde voor onze, door veel andere mensen uitzonderlijk geliefkoosde, papa en zelfs onwillekeurig een rilling door mijn ruggengraat voelde lopen iedere keer ik hem zijn sleutel in het sleutelgat van de voordeur hoorde frutselen om dan vervolgens, ons huis, dreigend binnen te dringen. De drang om al de uitgespookte (mis)daden die ik wat vroeger in de morgen had gepleegd, op straat of in de school, rap en compleet uit te leggen gedurende het middagmaal, juist náást hem gezeten, tussen de soep en de patatjes, deed me bijna altijd mijn kraantje, daar beneden, onbewust toeknijpen, in afwachting van de verlossing van de opgestapelde nerveusheid en de schrik van wat komen zou. Voorafgaande klokluide bevelen zoals, "remm'n", "voet'n ópheff'n", "hand'n nere", maakten het mij nog moeilijker mijn koud bloed te heroveren. Sommige keren had ik zelfs helemaal niks op te biechten en toch zocht ik wanhopig naar eventueel toepasselijke explicaties, maar dat hielp niet altijd en meestal hief hij zich dan traag recht op, want de warme patatjes waren toch nog niet gereed en zijn handen jeukten zo verschrikkelijk en vroeg hij me dan beleefd ook recht te gaan staan en gezellig dichterbij te komen treden, onder handbereik, niet vooraleer mijn lelijke bril met de dikke glazen op de kast te hebben gelegd, want hij had al tientallen exemplaren kapot geslagen gedurende vorige gelegenheden en hij was het beu altijd maar opnieuw brillen te moeten aanvragen bij de Ziekenbond, die het alias eigenaardig begonnen te vinden dat ik zo veel brillen kapot brak en hij me juist daarom nog wat méér wilde straffen en hij me dus ineens vlakaf beviel mijn handen achter mijn rug te houden, want hij was het ook beu geworden zijn tedere handen aan mijn beenderige ellebogen te kwetsen en hij mij daarom goedwillig het voorbeeld toonde en ook zijn handen achter zijn rug verborg, weliswaar met een andere bedoeling, om mij zo in verwarring te brengen en mij niet vooraf te laten weten van waaruit welke kant de eerste dreun zou vertrekken en ik toen pas echt in mijn broek begon te pisschen, van pure verwachting en ontzetting, maar hij me tenslotte toch nog verraste met een uiterst vlugge zwaai, die mijn wang op datzelfde ogenblik deed gloeien van de hitte en hij hetzelfde nogmaals verwezenlijkte met zijn andere hand, onverwachts ook, want ik was nog aan het bijkomen van de eerste, terwijl zijn zware gouden ringen diepe littekens nalieten in mijn bleke kaken en nu ook mijn oren fel rood begonnen uit te slaan en hij besloot de ondervraging te herstarten, want ik maakte geen aanstalten om vergiffenis te smeken en onderdanig mijn tranen te laten vloeien, wat ik eigenlijk wel wilde doen, maar ze kwamen er gewoonweg niet uit, van pure angst, alhoewel mijn onderdeur wel bewees dat ik mij echt aan het bekeren was, maar wat hij niet als verontschuldiging aanvaardde, terwijl iedereen, ik bedoel, de overige broers en zuster, ook onderdanig en met hun blozende aangezichten in hun lege soepborden gedompeld zaten, God bedankend dat ik wel degelijk den domste van de ploeg was en het daarom niet onredelijk vonden dat ik het dichtst bij hem moest gaan zitten en zo te vermijden zelf op de riem gelegd te worden, want daar begon zijn preek weeral, langzaam en overtuigend, en vouw uw handen maar achter uwen rug want ge zijt de schande van de familie en ik, bevend van de verwachting, of beter, van de opkomende verrassing, mijn schouders ophief om de slag wat te dempen maar hij toch bekwaam was, met zijn jarenlange ervaring, deze te ontwijken en de deun door de woonkamer te laten echoën, want dat was een pracht van een zwaai geweest en die hij onmiddellijk wilde herhalen, terwijl hij het juiste tempo onder controle had, het perfecte concentratiepunt had gevonden en hij opnieuw het doel trof, alhoewel wat minder nu, maar toch nog duidelijk hoorbaar bij de buren die niets zegden, zoals overigens ook de broers en de zuster niet, die het niet helemaal onjuist vonden en geen enkel geluid veroorzaakten, om vooral zijn aandacht niet af te leiden, tot Mama, tot dan toe stil, vanuit de keuken, haperend aankondigde dat de warme patatjes intussen al gereed waren geraakt en dat het nu "al een beetje genoeg" was geweest en ik trillend van de ontreddering en van onderen volledig doordrenkt van de ontsnapte pis, haastig mijn bril terug op zette en volledig verslagen terug op mijn stoel kroop, niet begrijpend wat ik allemaal had misdaan en waarom ik weeral eens zoveel slagen had gekregen en ik, niet zonder moeite, de hete patatten kon inslikken en wanhopig hoopte dat iemand anders zijn aandacht zou trekken, tot ik uiteindelijk naar mijn slaapkamer kon kruipen om van broek te veranderen en van daaruit verbaasd mijn broers en zuster hoorde spelen in de hof, alsof er niets gebeurd was en ik mezelf voorbereidde om terug naar de Broederschool te rijden met mijnen oude velo, type "torpedo" en op de terugkeer van de school, alles al vergeten, een wedstrijd aanging, bijna alle dagen, met Jean-Pierre Monseré, de toekomstige wereldkampioen wielrennen, om te zien wie er het eerst aan de brug van de vaart (aan de linkerkant van die brug bevond zich een zandberg, waar we geregeld naar toe reden om daar, spelend, de woensdagnamiddagen door te brengen) geraakte en ik, eens op de Mandellaan, bijna alle dagen, vast stelde dat hij nog steeds de rapste was, maar dat ik hem toch, af en toe, eens kon verrassen en op het nippertje van hem wist te winnen, vooral als ik wat eerder had kunnen vertrekken, hij gevallen was, of met een platte band aan het rijden...

Ik heb hem ooit eens, in het geheim, gevraagd waardoor het kwam dat hij altijd van mij won en hij heeft me toen, wantrouwig rond glurend om er zeker van te zijn dat niemand ons aan het spioneren was, toevertrouwd dat hij elke dag het overschot van de fles karnemelkpap die zijn vader, een metser, meenam naar zijn werk, opdronk en dat dat de reden was van zijn kracht, maar ongelukkig genoeg, ik haatte karnemelkpap en zo ben ik nooit wereldkampioen kunnen worden...eh, wat een flater....

Natuurlijk gebeurden deze “geheime toevertrouwingen” altijd gedurende de speeltijd, op de koer van de school en het riep normalerwijze de aandacht van de meest dichtbij spelende, overige kinderen. Mijn vader, altijd zorgvuldig naar mij loerend om mij te betrappen op nieuwe zonden, van de ene kant van de koer naar de andere stappend, vergezeld of niet van andere schoolmeesters, geen enkele ervan zo streng als Nonkel Fons, maakte van die gelegenheden gebruik om aan iedereen te bewijzen hoeveel hij me wel haatte. Meestal werd de straf ter plaatse uitgevoerd, zijn daarvoor speciaal meegenomen houten regel aanwendend, die hij hard en verschillende keren op mijn schedel liet dreunen, tot hij onveranderlijk in tweeën brak, wat hem nog razender maakte en hij besloot een andere, ook daarvoor meegenomen regel, vanuit zijn onuitputtelijke voorraad, te gebruiken om mijn kneukels purper te slaan. Somtijds, verrast en zonder gepaste voorwerpen in zijn dichtste omgeving te vinden, besloot hij mij praktisch op te heffen aan alleen maar één van mijn twee oren en me rond te schudden tot ik dacht dat mijn oor er vanaf zou scheuren (Papa was toch wel nen sterke mens, hé, oersterk, eigenlijk zo sterk als een beer zelfs!), of zowel één van mijn wangen vast te grijpen tussen wijs– en middelvinger, terwijl hij dan zorgvuldig zijn duim tussen beide wrong en een gaatje probeerde te boren met de nagel van zijn duim, in het vast gesnoerde vel, tot de tranen in mijn ogen sprongen van de pijn. Maar dat veronderstelde allemaal krachtverspilling voor hemzelf en zijn voorkeur ging duidelijk naar het onbeschermd afranselen, wat hem aanzienlijk meer genoegen verschafte, vooral als andere mensen er stonden op te kijken. Dat gaf hem blijkbaar een puur gevoel van macht en straalde respect uit naar de erop starende kinderen, collega's en zelfs directeurs. Niemand is er ooit tussen gekomen, blijkbaar uit angst dat hij zich naar hen zou omkeren. Niemand was zó overheersend.
 
(Zoals in de sprookjes gebeurt, heb ik dat tenslotte zelf, in mijn eigen onderbroek pissend, gedaan. Later komt dat hier nog wel eens te pas. Het heeft alleen maar bewezen dat, wanneer dat gebeurt, de uitdager zich plotseling omvormt in een "loser").
 
Andere keren maakte hij er een waar spektakel van, een toneelopvoering met verschillende fases, allemaal goed gepland en prachtig afgespeeld, zoals die keer toen ik op de rug van mijn bijna zes jaar oudere broer Frank had gesprongen die met zijn vrienden, verzameld in een kring, op de koer van de school, aan het kletsen waren. Ik had gedacht hem eens goed te verrassen en sprong, zonder dat hij mij opgemerkt had, stevig op zijn rug, mijn benen om zijn lenden slaand en mijn armen om zijn nek. Ik was toen twaalf of dertien jaar oud en had geen enkele benul van seks, van homoseksualiteit, van gelijk of wat voor een type van verhouding, van interesse in het vrouwelijk, laat staan, mannelijk, geslacht, in 't kort, een pure jongen. Een onschuldige jongen die de korte broek tot aan zijn zestiende jaar gedragen heeft, zonder spijt noch wroeging, tot dat Hilde, mijn wreed geïnteresseerde zuster, het mij perse heeft willen uitleggen, alhoewel ik er haar altijd van verdacht heb dat ze in feite ook nog veel twijfels koesterde en ze eigenlijk er meer op uit was zelf eens een piemel, van dichtbij, te bezien. Woorden zoals "hoerepoeper", die iedereen en ikzelf ook, met wat schaamte, gebruikte, zonder juist te weten wat ze betekenden, waren geen bewijs van mijn schuld, maar dat is een ander verhaal...
 
In alle geval, mijn vader had het niet  verstaan en had hij duidelijk een DOODZONDE ontdekt. Genoeg om al zijn haat te laten uitbarsten, zoals de etter van een besmette zweer. Nochtans verloor hij nooit zijn vastberaden autocontrole. Vanwaar hij stond, een twintigtal meter verder, had hij mijn "eigenaardig gedoe" opgemerkt en tezelfdertijd had iedereen in zijn nabijheid gezien waar hij, wit van de opflakkerende woede, stond naar te bliksemen. Ikzelf had nog mijn Frank niet laten vallen en was hardnekkig bezig hem omver (te trachten) te doen kantelen, tot het mij opviel dat het alom heersende gerucht over de gehele koer, in enkele weinige seconden was stil gevallen. Een beetje verrast eerst, maar dan wantrouwig, ook door het gebrek aan grote weerstand vanwege Frank (de schuwsten van ons allemaal, zoals Mama het altijd perfect uitdrukte), die het gevaar al eerder had geroken, deed me mijn hoofd opheffen om te zien wat er juist aan het gebeuren was en eventueel te constateren wat ik precies aan het missen was. De koer had zich in twee delen gesplitst en aan het andere einde van de open geplooide weg ontdekte ik mijn vader, wijdbeens, met zijn beide handen in zijn heupen geplant, uiterst autoritair in mijn richting aan het staren (moest een blik kunnen doden, ik zou allang begraven geweest zijn), zonder één beweging te maken en één enkel woord te uiten. Zelfs een andere, hem vergezellende, schoolmeester deed enkele schreden terug, om hem zeker niet in de weg te staan. Ik gleed automatisch en doodsbleek uitslaande van de te verwachten aframmeling, van de rug van mijn broer af en voelde mijn knieën terstond knikken. Daar ging het weeral...
 
Rechtstreeks vooruit kijkend, met de kin naar voren, hief hij zijn rechterarm op, terwijl hij, met zijn naar boven omgekeerde en wenkende wijsvinger, mij een duidelijk teken gaf hem onmiddellijk te volgen. Waarschijnlijk wilde hij verhinderen gestoord te worden door de één of andere bemiddelende stem en besloot hij mij af te zonderen in de eetzaal, aan het andere einde van de koer, uitgerust met tot aan de grond reikende ruiten, wat het voor iedereen gemakkelijker maakte te zien wat er zich binnenin afspeelde en omgekeerd. We stapten, hij zelfbewust en overheersend en ik, trillend en strompelend van de aangekondigde ellende, achter elkaar, tussen de open geplooide rij mensen door, die zich dan, onmiddellijk achter mijn rug, terug sloot. Iedereen was duidelijk benieuwd te zien wat er nu verder zou gebeuren. Men kon het ritselen van de bladeren van enkele dichtbije bomen duidelijk onderscheiden. Eens binnen gewankeld sloot hij zorgvuldig de glazen deur achter mij dicht, beviel me mijn bril op één van de lege eettafels te leggen, schoof enkele stoelen en een tafel wat opzij om meer plaats vrij te maken, vroeg me wijdbeens wat er precies gebeurd was, herhaalde de vraag op een wat hogere en nog schellere toon (in het Portugees zegt men: quem tem cu apertado peida alto/fino - wie een nauw gat heeft laat dunne/scherpe scheten), want ik wist niet juist wát te antwoorden, drong er op aan dat ik beter en rap mijn handen achter mijn rug moest vouwen, want anders zou het slechter aflopen en verraste hij mij met de eerste zwier, want hij liet normalerwijze ettelijke seconden verlopen tussen de toestanden: "Klaar" en "Vuur". Intussen was het opeens donkerder geworden in de eetzaal vanwege alle toeschouwers die er zich rond- en opstapelden, elk vechtend en duwend om een betere plaats te kunnen veroveren en om zeker niets van het spektakel te missen. Aan de onderkant van de ruiten kon ik tientallen bekende aangezichten onderscheiden van mijn (al of niet) vrienden; aan de bovenkant, met hun zedig gekruiste armen, sommige van de andere schoolmeesters en zelfs één Broeder. Frank zelf was niet te bespeuren.
 
Om een langdurige aframmeling kort te maken zal ik maar zeggen dat ik niet geschreid heb, nee. In compensatie, mijn korte broek was doordrenkt van de urine en onder mijn verlamde voeten vormde zich een grote plas, die zich uitbreidde naargelang ik langer en langer "in voortdurende verwachting" stond te trillen. Het was onmogelijk de verlossende stroom tegen te houden, zelfs niet met al die toekijkende, onverschillig voor mijn situatie, studenten en leraars. Een ondenkbare vernedering en een, voor mij, onverklaarbare straf.
 
Nochtans, als een mens slecht is vanaf zijn geboorte, dan moet hij, de duivel (die uitdrukking doet me nu ook ferm aan mijn moeder herinneren), ‘d er alle dagen uit geslagen worden, was zijn oprechte mening. Af en toe had hij, mijn vader bedoel ik, zelfs wel enigszins een glimp van reden want ik was een onverwoestbare spotter en een onverbeterlijke speelvogel.
 
Hij had me, op nen andere keer betrapt in zijn klas, toen hij, met zijn rug naar de leerlingen toe gekeerd om iets op het zwarte bord te schrijven, zich plotseling had omgedraaid, net op het moment dat ik een voordien nat gemaakte prop papier, met toevallig succes, geworpen had naar het hoofd van een klasgenoot, enkele rijen vóór mij. De klas werd onmiddellijk stop gezet, hij legde het klein stukje krijt opzij, veegde nauwkeurig zijn handen af, iedereen doen grijnzend in afwachting van een fel verdiende ontspanning en ondervragend naar mij kijkend, begon hij: ewel, wat is er gebeurd? Wat ebde nu gedaan, eh manneke? Kom maar ne keer naar voren hier. Zonder het geduld te hebben mij dáár af te wachten, stapte hij resoluut op mij af, pakte hij, me gewillig helpend om rapper de afstand te kunnen overbruggen, bij mijn oor vast en sleurde me met kracht naar voren. Ter plaatse aan gekomen trok hij me de trede (die de schoolmeester scheidt van de rest van de leerzaal) op en probeerde hij me tevergeefs op te heffen tot zelfs mijn teentippen (bijna)te kort schoten. Met toe geperste lippen en opmerkend dat het niet mogelijk zou zijn me helemaal van de grond te tillen besloot hij dan van tactiek te veranderen, waarschijnlijk om de oorwortels te trachten te vermurwen en dan in alle richtingen rond te draaien tot ik begon te vrezen dat hij op 't einde met mijn oor in zijn hand zou staan. Besluitend dat hij zichzelf nodeloos aan het vermoeien was en dat de kramp in zijn vingers hem de greep deed verliezen, besloot hij over te schakelen naar zijn lievelingsmethode. Over zijn knieën. Zonder mijn oor ooit los te hebben gelaten haalde hij een houten regel uit de lade van zijn bureau (die hij altijd graag dichtbij hield, om er niet achter te moeten zoeken), sleepte hij zijn stoel naar het midden van het podium, zette zich, goed in het gezicht van de andere leerlingen, néér, deed een signaal om mijn bril van mijn neus te halen (dat was toen al mijn zestiende bril, allemaal van dikke plastic en zware glazen, zoals die van de onderkant van een wijnfles) en dwong me over zijn schoot heen, met mijn rug naar de klas toegekeerd, neer te buigen, na mijn spijkerbroek met een korte ruk naar beneden getrokken te hebben. Het onmiddellijk gevolg van die verschillende bewegingen was een algemeen gekrijs en gekraai vanwege mijn collega's, die er tot op dat ogenblik geen bliksem van hadden verstaan en verbaasd staarden naar die witte poepe, content dat ze waren dat de les óver was. En áán kwam hij. Het doel was volmaakt getroffen. Een pracht van een platte handslag. De dikke, gouden ringen, die hij altijd preuts gebruikte, hielpen onveranderlijk méé de (nog) blanke maagdelijke wangen te merken, net zoals bij de koeien. Enfin, het slagen hield maar op toen hij het beu werd en zijn eigen hand er net zo rood uitzag als mijn achterwerk, diep roosachtig naar purper uitslaand, maar wel blinkend van de gezondheid. Dan, wat bezorgd dat hij zichzelf lam zou kunnen slaan met dat hand, schakelde hij over naar zijn regel. En dat was andere muziek. Letterlijk en figuurlijk. En de scherpe pijn verhoogde aanzienlijk. Helemaal verdwaasd en totaal uitgeput, maar zonder tranen, zelfs van onderen niet, werd ik, na een vijftal minuten, van zijn knieën, walgend, afgeduwd. Met schaamte scharrelde ik recht en trok mijn broek omhoog. En weg wankelde ik. Terug naar mijn stoel. Met een tot in mijn schoot zinkend, heet, hoofd. Waar ging mijn moraal? Hoelang en hoeveel keren zou ik terug moeten vechten om het respect, de orde en de discipline er terug in te brengen, bij mijn collega's? Wat een tijdverlies. Wat een hel."
 
Dat alles dus, nogmaals, om terug te kunnen keren op wat ik toen nog onmogelijk vond: SCHREIEN om van het lijden af te geraken.
 
En toch heb ik enkele keren, veel jaren later dus, toch wel ne keer of twee geschreid, zodanig zelfs dat de tranen er met tuiten uit rolden. Ongelooflijk genoeg is dat niet gebeurd aan het graf van mijn enige zoon, in Rio De Janeiro nog.
 
De eerste keer, dat ik mij herinner, was echter wel in Rio, maar toen ik naar een keel specialist was gegaan, bekommerd dat ik was met een KROP in mijn keel, toen ik werkelijk moeilijkheden begon te ondervinden om het eten in te slikken. De arts heeft me terstond naar een x-straal onderzoek verzonden waar men heeft vast gesteld dat er zich een niet natuurlijke kronkel in mijn slokdarm bevond, verantwoordelijk voor de, nog altijd, bestaande moeilijkheid.
 
Maar toen, bij die keel specialist dus, heb ik voor het eerst mijn tranen niet kunnen bedwingen. Ze hadden te maken met de psychologische druk die een Duitser, vanuit Sao Paulo, per telefoon, acht keren per dag, op mij uitoefende, in Rio, om vooruitgang te boeken bij de oplossing van een hele reeks "bugs" die een bepaalde recent gelanceerde machine, in het veld, vertoonde en waarvoor ik de verantwoordelijke was, in het gehele land (Gepeto Composer). Hij heeft me dus toen persoonlijk geprobeerd te BREKEN, maar is daar NIET in geslaagd, vind ik, want ik leef nog altijd en hij is al dood, als dat God belieft. Maar, van de andere kant, het geval, uiteindelijk opgelost, heeft mij wel degelijk gekwetst. En het heeft littekens nagelaten, dat is zeker, zoals diene krop.
 
De tweede keer is gebeurd toen ik, vóór een Staatsbediende gezeten, moest uitleggen, na meer dan 35 jaar lang gewerkt en gewroet te hebben, dat mijn pensioen, ONTOEREIKEND was geworden. Dat heeft me dan ook diep gekwetst en ik heb de tranen, terug, niet helemaal kunnen blijven bedwingen.
 
Ik hoop dat ik gespaard zal blijven van een derde, en laatste, keer. 

15:26 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

11-07-17

mijn zoon is jarig...

 

Zaterdagmorgen, na een uitgebreid ontbijt, besloot ik om eens naar 
de stad te gaan, alhoewel ik absoluut niet elke week wil gaan was
het nu wel héél erg lang geleden, af en toe heb ik het nodig om mensen
en winkels te zien maar de voorbije weken was het er niet van gekomen
want ik had elke zaterdag iets anders te doen.
Eerst kwamen de kleinkinderen van de zoon logeren dus deed ik
dingen met hen die zij prettig vinden, de volgende zaterdag kwamen
de kinderen van mijn dochter voor het weekend en bood ik de oudste
een gelijkaardig programma aan, mijn jongste kleinkind kreeg
amusement op zijn eigen niveau.
De zaterdag erna ging ik geheel vrijwillig naar het laatste concert
van het seizoen want dat wou ik voor geen geld ter wereld missen,
het was subliem en daar kan geen stadsuitje tegenop,
de daarop volgende zaterdag ging mijn man naar een school reünie,
hij was uitgenodigd omdat hij er vijftig jaar geleden was afgestudeerd
en 's avonds bracht hij vier oude klasmakkers mee om bij ons te dineren,
ik had me de hele zaterdag uitgesloofd om hen een lekker etentje aan
te bieden, het eten vonden ze buitengewoon geslaagd en ze waren het
unaniem met elkaar eens dat ze zo'n bijeenkomst eens vaker moesten
doen. Ik voelde me niet geroepen want de afwas achteraf, ik had hem
laten staan tot de zondagmorgen, was bijna niet te overzien.
De zaterdag daarop werden we reeds van in de vroege ochtend,
we lagen nog in bed, gewekt door felle donderslagen en heldere
bliksemschichten, daarna viel, voor de rest van de dag, de regen
met baken uit de hemel dus bleef ik ook die zaterdag thuis en hield
me ledig met huishoudelijke klussen.

Maar nu zaterdag stond er een stralende zon aan een heldere blauwe
lucht en niets speciaal in onze agenda en wilde ik dus eens naar de
stad omdat ik, nu ik al weken dingen had gedaan om andere mensen
te plezieren, mijn man en mezelf eens wou trakteren op een bezoek
aan de stad met een lekkere lunch in een kleine zaak waar we niets
meer moesten doen dan ons eens lekker laten verwennen.
Mijn man wilde niet mee, had geen zin in een tocht naar de stad,
zocht uitvluchten die ik erg doorzichtig en kinderachtig vond en
ik voelde me kwaad worden.
Hoezo, niet mee?
Ik zei dat ik vond dat ik altijd klaar stond om anderen te plezieren
en dat ik nu eens aan de beurt was. Hij zette zijn meest
beklagenswaardige slachtoffergezicht op en zou, als het niet anders
kon, toch meegaan, maar voor de tijd die ik nodig had om te winkelen
zou hij zolang naar de bibliotheek gaan en daar een beetje kranten
lezen, zei hij op een meelijwekkende toontje.
Ik liep er niet in.
Ik ga wel alleen, snauwde ik, en denk maar niet dat ik vroeg zal
terug zijn.
Ik nam mijn jas en handtas, startte de wagen en reed,
zonder dag te zeggen of nog naar hem om te kijken, weg.
Nog vooraleer ik onze straat uitreed was mijn zin om een dagje
te winkelen al over en ik voelde me verschrikkelijk veronachtzaamd
en zielig maar ik reed koppig door.

Aangekomen in de stad vond ik pas na lang rondrijden een
parkeerplaats.
Ik sloot mijn wagen en liep naar het centrum.
Het kleine restaurant waar ik wilde eten was om een mij niet gekende
reden gesloten, ik ging een andere zaak binnen en vond nog een tafel
vrij, de laatste blijkbaar, alle andere tafels waren bezet door koppels
die het fijn hadden met elkaar of door een groepje vriendinnen die
plezier met elkaar maakten en ik voelde me nog zieliger en mijn eetlust
was compleet over.
Ik bestelde zomaar iets, het eerste dat op het
suggestiebord stond. Het smaakte me niet, ik schoof het eten aan
de kant, bestelde een tas koffie en rekende af.
Wat later verliet ik de zaak en wandelde wat door de winkelstraten,
ik liep winkel in winkel uit, ik wilde eigenlijk al weken een nieuw
bloesje kopen en vond niets dat paste bij een olijfkleurige rok die ik
enkele seizoenen geleden kocht, olijfgroen is momenteel niet in de
mode zei een verkoopster.
Ik loop hopeloos achter.
In alle winkels zag ik hoe mannen mee hielpen kiezen met hun
vrouw, hoe ze op zoek gingen naar een maatje groter of kleiner
terwijl hun vrouw in het pashokje het ene na het andere zomers jurkje,
rokje of bloesje paste.
Ik baalde.
Toen ik op een terras op de markt nog een tas koffie bestelde en naast
een groepje mensen zat dat erg luidruchtig verschrikkelijk veel plezier
maakte, had ik er plots genoeg van.
Ik ging naar huis!

Mijn man had tijdens mijn afwezigheid een heerlijk fietstochtje
gemaakt zei hij opgetogen en voelde zich erg hongerig,
wanneer konden we eten?
Hij heeft mij geen seconde gemist, dacht ik.
Even later at en dronk hij met smaak, ik at weinig, zei weinig en
ging wat later, maar erg vroeg voor mijn doen, mokkend naar bed.
Ook zondag had ik in niets zin, ik wilde niet wandelen en ook niet
fietsen niettegenstaande het weer zonnig en zacht was,
deed ik niet veel anders dan mezelf beklagen tot ik in de late
namiddag plots tot inzicht kwam.

Opeens wist ik het weer.
Opeens wist ik wat er aan de hand was.
Binnenkort is mijn jongste zoon jarig.
Mijn zoon die enkele jaren geleden gestorven is.
Ik kan hem nooit meer zien, nooit meer aanraken, nooit meer
feliciteren, nooit meer knuffelen en ik mis hem zooo verschrikkelijk...
En daarom mag ik gisteren en eergisteren, vandaag en morgen
chagrijnig zijn en mezelf zielig vinden.

Het slijt, zeggen ze, maar het gaat nooit over...

 

11:37 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

 
Aangepast zoeken