06-04-18

in de ban van "de groote oorlog"

 

 

Tijdens de voorbije paasdagen logeerde mijn kleinzoon bij mij, 
mijn oudste kleinzoon, de kleinzoon die, omdat hij zo nieuwsgierig is
naar het verleden reeds een enorme en uitgebreide kennis bezit over
"de Groote oorlog", elke keer hij hier bij mij verblijft gaan onze
gesprekken hoofdzakelijk over de oorlog waarvan het einde,
zoals hij weet, binnenkort 100 jaar geleden zal zijn.
Hij weet ook dat zijn over-overgrootvader, mijn pépé dus, tijdens de
oorlog als jonge soldaat gevochten heeft, dapper natuurlijk
en zijn broer heeft verloren tijdens de strijd.
Wie mijn kleinzoon bezig hoort zou er kunnen van uit gaan dat
mijn pépé en zijn broer, omdat ik nu eenmaal in de frontstreek woon,
100 jaar geleden in mijn achtertuin het land hebben verdedigd
tegen de vijand.
Mijn kleinzoon praat soms over mijn grootvader en zijn broer alsof
hij ze hoogstpersoonlijk kent, alsof hij verwacht dat ze hier elk
moment in hun uniform voor de deur zullen marcheren.

Eén attractie die nooit mag ontbreken op het programma tijdens
zijn verblijf bij mij is een bezoek aan het Tyne Cot.
Urenlang kan hij ronddwalen op die begraafplaats en ook de
tentoongestelde wapens in het museum, de vele zakboekjes,
naamplaatjes, uniformen, oude foto’s, kaarten, granaten en kogels,
erekruisen en andere tekens wil hij elke keer opnieuw gaan bekijken.

Op paasmaandag wandelen we ernaartoe, het is een behoorlijke lange
wandeling, het is een koude voorjaarsdag, het regent en de wind rukt
met geweld aan de capuchon van onze regenjas maar dat schrikt hem
niet af, mij ook niet.
Mijn kleinzoon is een blond, knap, mager soort kind dat elke dag van
’s morgens vroeg in de hoogste versnelling leeft.
Héél de weg naar de begraafplaats vraagt hij mij voor de zoveelste keer
het hemd van het lijf over wat en hoe de gevechten geweest zijn.
Hij vraagt maar en hij vraagt maar door alsof er niets is dat ik niet
weet.
Soms vraagt en vertelt hij in de tegenwoordige tijd alsof het hier
en nu oorlog is en we elk moment een zieltogende gewonde in de
greppel zullen vinden, hij zou niet eens verbaasd zijn moesten we
een stelletje soldaten die zich achter de bosjes voor de vijand hebben
verschanst, in het vizier krijgen.
Als ik geen antwoorden meer weet op zijn vele vragen vertel ik hem
een oorlogsverhaal waar hij gretig naar luistert alsof hij het nog
nooit eerder hoorde, nochtans, ik vertel hem elke keer hij hier verblijft,
met hier en daar een kleine wijziging of toevoeging, altijd hetzelfde
verhaal.
Hij vindt het niet erg dat mijn verhaal geschiedkundig niet
zuiver is en dat de werkelijkheid zeker en vast nog veel erger en
straffer was dan we kunnen dromen, we weten allebei dat
ons voorstellingsvermogen ontoereikend is om die gruwel te
kunnen begrijpen.
 

Op de kapotgeschoten weg naar Ieper, zo begin ik mijn vertelling,
enkele kilometers ervan verwijderd, klauterden een groepje jonge
onervaren soldaten uit de vrachtwagens. Ze nemen afscheid van de
chauffeur, ze zwaaien nog eens want de laatste kilometers naar
het front moeten ze te voet afleggen.
Toen ze door de meest bekende stad van het westelijk front liepen,
zagen ze dat die ooit zo rijke en welvarende stad herschapen was in
één grote ruïne, overal lagen hopen stenen en puin, weinig muren
stonden nog recht.
Ze lieten de verwoeste stad achter zich en sloegen de weg in naar
Passendale.
Toen ze enkele uren geleden uit de vrachtwagens waren gestapt
hadden ze nog nooit eerder een slagveld gezien, ze droomden van
uitzonderlijke moed en heldendaden. Ze zouden het land verdedigen
en veroveren en de vijand zware onherstelbare verliezen toebrengen.

Aan het front was het één doffe ellende, het regende nu al dagen.
Het regende, het regende onafgebroken, zover ze konden zien en
eigenlijk was er niets te zien, zagen ze modder en modder, ze konden
niet marcheren, ze moesten bijna zwemmend de frontlinie bereiken
en proberen om te ontsnappen aan de vijandelijke kogels.
De modder was het ergste, de modder was chronisch, sommige soldaten
vroegen zich af hoe de mensen hier leefden. De chaos op het strijdveld
werd met de dag erger hoewel ze met onverminderde kracht en moed
de tegenstrijdige bevelen opvolgden want al dagen geleden waren
alle telefoonlijnen vernield en zaten ze afgesneden van de bewoonde
wereld. De strijd ging gewoon verder, de ene dag wonnen ze een
stukje terrein, de andere dag verloren ze hetzelfde stukje..
De gezichten van de soldaten waren vies en vuil en vertrokken in
grimmige woede, in hun koude vuisten klemden ze hun geweer.
Héél vaak waren de wapens verstopt door de modder en onbruikbaar
en daarom probeerde iedereen met een soort koortsachtige haast
om zijn wapen te herstellen zodat het straks bruikbaar zou zijn tijdens
de nieuwe aanval. Iedereen staarde door de mist en lag ingespannen
te luisteren want plots kon de vijand verschijnen.
De gewonde soldaten hadden ze een beetje aan de kant gelegd of
in een bomkrater gerold. Het leven vloeide langzaam weg uit de
gewonden, elk voelde zijn eigen pijn, er was niemand die kon helpen.
De brancardiers werkten nochtans hardnekkig aan hun bijna
hopeloze opdracht om te zorgen voor de talloze gewonden die hadden
gevochten in de voorste linie en de dood in de ogen hadden gekeken.
De tol aan doden was groot, het aantal gewonden konden ze niet
langer overzien.
Op het slachtveld bevonden zich de levenden, hun lippen waren korstig
en droog, hun holle ogen brandden van de rook die onophoudelijk
over het veld walmde, ze hadden al dagen geen warm eten meer
gekregen, de modder bemoeilijkte de bevoorrading, ze hadden niets
anders te doen dan te wachten op de volgende strijd.
De vijandelijke beschietingen hielden dag en nacht aan, iedereen
was nat, moe, hongerig en uitgeput, de bommenwerpers gooiden hun
bommen weg en weer, alle mannen vochten verbeten om een stapje
vooruit te komen, sommige mannen verloren elke zin in richting
en verdwaalden.

Op 10 november kregen ze te horen dat de strijd over was,
de soldaten hadden het té koud, waren té hongerig, té nat en té moe
om blij te zijn.
Even later viel de eerste sneeuw over het slagveld en in de met water
gevulde kraters, eerst vermengde de sneeuw zich met de modder en
vormde het geheel een vieze, papperige brij maar na een tijd bleef
ze liggen en bedekte de plaats van verschrikking met een smetteloos
wit deken…

Van zodra we terug thuis zijn, legt mijn kleinzoon zijn kleurstiften
gereed om een tekening te maken terwijl ik voor het avondeten zorg.
Even later staat er een  getrouwe voorstelling van een slagveld
"in het heetst van de strijd" op zijn A5 tekenblad, geen enkel detail
is hem ontgaan. Ik prijs en bewonder zijn werk en
kondig aan dat we kunnen eten.
Gaan we morgen eens naar Ieper, vraagt hij.
Morgen of overmorgen, beloof ik, hij ruimt zijn tekengerief op,
dekt de tafel en even later kunnen we eten.
Hij beweert dat hij reuze honger heeft en eet met smaak...





 

11:05 Gepost door RD | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.