21-04-18

Meten is weten en mannelijk, terwijl steken laten vallen, vrouwelijk is

Het eerste part van de titel is het levensmotto van mijn broer Johan, architect.

En als je er goed over nadenkt, dan moet je er mee instemmen dat hij gelijk heeft. Niet alleen fysisch meten, maar vooral psychisch, voortdurend, de grenzen aftasten.

Je meet, zonder dat je het zelf goed beseft, alles en iedereen op. De gehele dag lang. Al sinds je een knaap bent. Iets wat dus meer bij de mannen behoort dan bij de vrouwmensen, die minder meten en bijgevolg ook niet weten, omdat ze meer voelen en bijgevolg kostelijke tijd verprutsen. En dus ook meer missen. 

Een zoon wil al rapper meten hoe ver hij kan gaan. Eerst thuis en dan in de school. Later, op gebied van sport en drank en nog later, gedurende zijn eerste elleboogstoten op het werk. Daarvoor rekent men op zijn waarneembaarheid's vermogen. Op zijn capaciteit om in te schatten. Want ze kunnen er mogelijk ook van schijten. Als ze slecht gemeten hebben.

Iemand uitdagen is het ogenblikkelijk gevolg van de mannelijke trek om iemand af te meten. En er bestaan veel jongens (weinig mannen) die daar op ingaan en proberen van antwoord te dienen. Pesten en gepest worden. Dat is waar het allemaal op neer komt. Daarin zijn de meesten dus te delen. De pestkoppen en de gepesten. En meteen ook diegenen die nooit geen rustig leven zullen leiden. Voortdurend op hun hoede moeten zijn om geen steek te laten vallen. Want diegenen die eens gepest geweest zijn, worden op den duur ook zelf pesters. Meer uit wraak dan omdat het in hun DNA aanwezig is. Dan delven ze twee keren het onderspit in het leven. Wraak is nergens goed voor. Integendeel, het is een afwijking van het oorspronkelijk doel. Een verlies van tijd. Tenandere de hete soep slurpt men in vanaf de boorden.

Toen mijn moeder, tussen al haar duizenden bezigheden, gepaard aan de opvoeding van zes woeste kinderen (waaronder één, een nogal twijfelachtig geval) en allemaal gebaard zonder keizersnede (waardoor Papalief veel meer ruimte begon te verkrijgen, daar beneden dan hij lief was en zo op zoek plachtte te gaan naar nauwere kanalen, zoals die van dat scheel vrouwtje in Kuurne die nog maar nauwelijks uit de garantie periode was geraakt en toch al zijn eigendommen aan de hand wist te slaan om hem daarna aan de deur te zetten) toch nog de tijd bijeen scharrelde om verwoed te zitten breien aan de steenkool kachel (truien, kousen en tapijten), liet ze af en toe een steek vallen, wat ze maar later opmerkte, nadat ze ontwaakte van haar dromerij en het slechte al gebeurd was.

Dan zat ze in de verte te staren, de brei stil op haar schoot in één hand en de duim en de wijsvinger van de andere hand in de openingsholte van haar rechts neusgat, waarna ze dan een "foert" slaakte en er dan berustend aan toevoegde dat het wel zou koelen zonder blazen...  

Mijn broer beweerde altijd al dat ik een pester geweest ben, maar dat ziet hij verkeerd: ik ben een plager en een plager plaagt om te meten. En meten is weten.

Een pester is wat anders. Hij wil de andere doen afzien. Hij gelooft er stellig in dat, terwijl hij pest, hij zelf niet gepest zal worden. En dat duurt niet voor altijd. Dus, de boemerang is altijd op weg.

Gelukkig behoor ik niet bij geen enkele van die groepen en verkies ik alleen door het leven te trotten. Ik en mijn klein familietje. Maar ik voel wel degelijk dat zelfs zo, menige er op uit zijn mij te pesten. Niet te plagen.

Plagen, BTW, komt overeen met liefhebben. 

11:52 Gepost door RD | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.