08-10-17

...nog tot ik de tafels ken...

 

Nog tot ik de tafels ken en dan ben ik klaar met school. 
Dan is het gedaan en stop ik ermee.

Dat is een uitspraak van een van mijn kleinzonen.
Met de tafels bedoelt hij 'de tafels van vermenigvuldiging' die hij in
zijn klasje nu dagelijks opdreunt en inoefent.
Simpel gezegd:
Mijn kleinzoon gaat niet graag naar school en als de tafels van
vermenigvuldiging die hij nuttig en noodzakelijk vindt
geen geheimen meer voor hem hebben, is het wat hem betreft gedaan
met naar school gaan, hij is ervan overtuigd dat hij dan genoeg
weet en kent om zonder al te veel problemen het leven aan te kunnen.
Het is niet aan hem te zien en die hem niet kent zou het nooit
vermoeden dat hij niet graag naar school gaat, hij staat niet elke
morgen te jammeren of te treuzelen vooraleer hij vertrekt, neen,
enkel de mensen die alert zijn op de kleine signalen weten dat
hij een hekel heeft aan zijn schooltijd.

Hij deelt het van geen vreemden, denk ik, ook zijn papa,
mijn oudste zoon ging niet graag naar school en ik zou liegen
als ik zou beweren dat ikzelf graag ging.

Het is met zeer gemengde gevoelens dat ik terugkijk op mijn eigen
schooltijd!
Ik ging vanaf dag één niet graag naar school, laat dat tenminste
duidelijk zijn, ik voelde me vanaf de allereerste dag in de kleuterklas
een vreemde eend in de bijt, het was alsof ik er niet hoorde,
er niet bij hoorde, ik voelde me buitengewoon dwaas bij al die andere
wildvreemde kinderen die vanaf de eerste schooldag joelden en rond
renden op de speelplaats alsof ze er hoorden en nooit iets anders
hadden gedaan, die in de klas verwoede pogingen deden om de
aandacht van de zuster, de non, te trekken die keer op keer haar
nieuwe kleine druktemakers tot kalmte maande.
Ik wilde niet rond rennen op dat grote ommuurde plein dat ze
'de speelplaats' noemden en waar twee zielige boompjes met een erg
schriele kruin een vermoeide indruk wekten, het krioelde er van de
kinderen die tierden en gilden en die ik niet kende.
Ik wilde niet rondrennen op een plein dat door een grote, dikke,
witte streep op de grond in tweeën was verdeeld,
de ene helft was voor de meisjes, de andere voor de jongens,
van zodra je één stapje over de streep van je eigen kamp zette
werd je aan de kant gezet om de rest van de speeltijd
na te denken over je ondeugd.
Vanaf de allereerste dag van mijn schooltijd werden de beide seksen
absoluut gescheiden.
Ook in het klasje, de jongentjes zaten aan de kant
van de deur, de meisjes aan de kant van het raam zodat ik gelukkig
naar hartenlust naar buiten kon kijken en een eind wegdromen,
werd die regel streng toegepast.

Elke dag wanneer de zuster s' morgens het klasje binnenkwam,
zongen een dertigtal kinderen in koor, omdat ze het graag deden en
het nu eenmaal verplicht was, 'goedemorgen zuster Maria Michaëla',
op een soort tijdloze toon tussen eerbied en spot in, weet ik nu,
ze zongen het zo perfect dat ik het griezelig klinken vond.
Omdat ik het riedeltje belachelijk vond, zong ik nooit mee.

Vanaf dag één miste ik mijn mama, mijn papa, ik miste mijn broertjes.
Ik miste mijn eigen vertrouwde plekje, de grote tuin, de poes...
Ik was veel liever bij mijn mama gebleven,
ik had thuis altijd van alles te doen.
Waarom mocht ik niet thuis blijven?
Waarom moest ik naar school?
Wat moest ik doen op school?
Wat verwachtten ze van mij?
Dat heb ik nooit goed geweten.

Je moet naar school gaan om te leren, zei mijn moeder,
anders word je nooit slim en voor het eerst begreep ik haar niet.
Ik kon toch al bijna lezen en ook eenvoudige sommen maken
kon ik als de beste.
Ging ik soms niet alleen boodschappen doen naar de bakker,
naar de slager, naar de kruidenier verderop in de straat?
Dat kon ik allemaal al.
Werd je soms slim van matjes weven, vroeg ik haar?
Werd je slim als je papier in kleine snippers scheurde?
Dat moest op die school.
En werd je soms slim als je een beetje later verplicht werd om de snippers
die je zonet gescheurd had op een blad papier moest plakken,
een groot vel papier dat je dan weer niet mocht verscheuren?
Werd je slim als je met dertig kinderen verzameld rond een zandtafel
stond, waar popjes in stonden of zaten aan een tafeltje met stoeltjes
en een spiegel, dat is water, zei de zuster, dat is een plas,
of een meer of de zee, maar dat was natuurlijk niet waar, je moest
wel blind zijn om niet te zien dat het gewoon een stuk spiegel was.
En je mocht nergens aankomen, je moest kijken met je handen
op de rug, je moest stil zijn en zwijgen of zingen zonder dat je zin
had om te zingen, op commando dus en collectief...

Neen, ik ging niet graag naar de kleuterschool en ook niet naar
de lagere school maar er was toch een opmerkelijk verschil,
op de lagere school leerde ik uiteindelijk toch iets en
daarin was ik dan de beste van mijn klas.

Op twaalfjarige leeftijd ging ik naar het eerste middelbaar in een
andere en spiksplinternieuwe school maar nog steeds dik tegen mijn zin.
Ik leerde graag en gemakkelijk en daarmee is alles gezegd.
Ik ging niet graag en mijn aversie voor school duurde en bleef duren
tot ik begon aan het voorlaatste jaar van de humaniora...

wordt vervolgd...

 

11:05 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print