27-09-17

Marc Benninga: 'Alles gaat mis door dat stomme poepen'

Zo fanatiek als hij was als hockeyprof, zo gedreven is hij nu als 'poepdokter'. Hoogleraar Marc Benninga (56) richtte 25 jaar geleden de poeppoli op in het Emma Kinderziekenhuis en spreekt veertig patiëntjes per dag. 'Ik word leip als ik een financiering niet rondkrijg.'

Els Quaegebeur 
Benninga: 'Het ontbreekt bij veel artsen aan tijd en goede communicatieve vaardigheden met patiënten' ©Renate Beense

Toen Marc Benninga, arts en hoogleraar maag, darm en leverziekten bij kinderen in het AMC en voormalig Nederlands elftalhockeyer, in Amsterdam aankwam om geneeskunde te studeren, besloot hij lid te worden van het studentencorps. Dat was zijn grootvader, medeoprichter van Het Parool Hans Warendorf, ook geweest. ­

Benninga hield weliswaar niet van drinken - bier vond (en vindt) hij vies en vanaf zijn vroege jeugd was hij op hoog niveau bezig met sport - maar het leek hem toch leuk. 

Ontgroening

Een ouderejaars vroeg tijdens een ontgroening hoeveel hij zoop, vertelt Benninga in zijn tuin aan het Olympiaplein, waar hij woont met zijn vrouw Ingrid Wolff - eveneens een voormalig Nederlands hockeyspeler - en twee van hun drie kinderen. 

"Ik antwoordde: ik zuip helemaal niks. Die jongen zei: dan vind ik jou een lul. Ik vroeg: maakt het jou iets uit of iemand iets wits of geels in zijn glas heeft? Dat maakte hem wat uit, ja. Nou, zei ik: dan is er hier maar één lul en dat ben jij."

Benninga windt niet graag ergens doekjes om. Dat viel een week eerder al op in zijn spreekkamer op de 25 jaar geleden door hem opgerichte 'poeppoli' in het Emma Kinderziekenhuis in het AMC. Wat uit zijn mond komt, lijkt te corresponderen met wat hij denkt. 

Poeppoli

Alleen valt het woord lul niet op de poeppoli. Wel heel vaak drol, keutel, klont en natuurlijk poep, altijd uitgesproken met warmte en respect voor de kinderen die bij hem langskomen omdat ze lijden aan ernstige obstipatie of chronische buikpijn. Op een gemiddelde polidag spreekt Benninga veertig patiëntjes. Dat is heel veel, maar niet gek als je bedenkt dat in Nederland ten minste 150.000 kinderen inboeten aan kwaliteit van leven door deze aandoeningen. 

Tussen de consulten door geeft hij in sneltreinvaart uitleg over zijn vak, onderwijl non-stop typend. De passagetijd bij een gezond mens is tussen de 24 en 60 uur. Dat wil niet zeggen dat de hele gehaktbal dan naar beneden is gerold. Alles tussen drie keer per week en drie keer per dag poepen is normaal, zolang je geen buikpijn hebt. 

Het enige wat de dikke darm doet, is van de acht liter water die een mens per dag produceert twee ons maken. Alle belangrijke functies zitten in de dunne darm. Zonder dikke darm kun je leven, zonder dunne darm niet. Zelfs bij kinderen die maar één keer per maand normaal poepen, zien we zelden een fysiologische afwijking. 

Ophouden

Tien tot twintig procent komt niet meer van de obstipatie af. De meest voorkomende oorzaak van obstipatie bij kinderen onder de tien is ophouden. Waarom ze dat doen, is veelzijdig. Geen zin, bang, pijn, van alles. Ongeveer veertig procent heeft in het eerste levensjaar al problemen. Het brein kan de darmen totaal lamleggen. Hoe dat precies gaat, weet niemand. 

Benninga noemt zijn afdeling het afvoerputje van Nederland. De meeste van zijn patiënten hebben al veel loketten gezien als ze uiteindelijk bij hem komen, met hoop op een oplossing. Voor een eerste afspraak trekt hij veertig minuten uit, maar ook dan zit hij niet met een stopwatch klaar. Is langer nodig, dan duurt het langer. Praten is heel belangrijk bij poep- en buikpijnproblemen. Als hij iemand aan het lachen krijgt, is dat ook meegenomen. Meestal lukt dat. 

Ik ben een halve psycholoog, zegt ­Benninga. Hij gelooft in de kracht van empathie. "Het ontbreekt bij veel artsen aan tijd en goede communicatieve vaardigheden met patiënten. Als ik soms hoor of zie hoe het eraan toegaat, schaam ik me dood. 

Aardige dokters

Luisteren, uitleg geven: het is vaak zo onder de maat. Terwijl het de helft van de behandeling kan zijn. Niet voor niets is aangetoond dat het placebo-effect bij ­aardige dokters veel hoger is dan bij botte figuren. Toch denk ik dat ik nóg meer met het kind en het gezin zou moeten praten. Sinds kort is standaard een kinderpsycholoog of psychiater betrokken bij een second opinion, om nog meer te weten te komen over de achterkant van een ­probleem." 

Een meisje van veertien met een mooie bos krullen, gekleed in een glimmende legging en een T-shirt dat haar middel laat zien, komt binnen met haar vader. Ze komt al op de poeppoli sinds ze een klein meisje is. De obstipatie schommelt erg bij haar. Het is lang goed gegaan, maar laatst tijdens de ramadan had ze een terugval. 

"Ja, ik kan moeilijk zeggen dat jullie dat niet meer mogen doen," zegt Benninga met een knipoog. "Als je ziek bent, hoef je niet te vasten," zegt het meisje nauwelijks hoorbaar van verlegenheid. 

Eigenwijs

"Ja," beaamt haar vader glimlachend, "alleen is zij eigenwijs, ze doet het toch." "Hoe poep je dan nu?" wil Benninga weten. "Drollen? Dun?" Het wisselt, zegt ze. "Ach joh, dat heb ik ook. En hoe vaak?" "Soms een week niet, dan weer om de paar dagen. Zonder buikpijn." 

Benninga is tevreden. "We hebben ooit gesproken over chirurgie, weet je nog, waar je toen zo verdrietig van werd? Gelukkig hebben we dat niet gedaan, want het gaat nu zo veel beter. Hoe je poept zal altijd een beetje blijven veranderen: als je verliefd wordt, omdat je een andere hobby hebt, door een verhuizing. Je koppie en je darmen zijn zo verbonden, die houden elkaar de hele tijd in de gaten." 

"Volgens mij hoeven wij elkaar voorlopig niet meer te zien. En als je toch in paniek raakt, bel je gewoon, dan kletsen we weer verder." De vader wil toch een nieuwe afspraak maken, voor de zekerheid. Benninga zet hem zonder tegenspraak in de agenda. 

Nieuwe patiënt

Het elfjarige meisje dat volgt, is een nieuwe patiënt. Ze is dun en bleekjes, heeft nooit normaal gepoept, slikt al jaren laxeermiddelen en spoelt zichzelf elke dag om de ontlasting kwijt te raken. Al na een kwartier zegt de moeder dat het kind nooit eerder zo veel verteld heeft aan een dokter.

Daarna stuitert een bijdehand jongetje van negen de kamer in. In groep twee zat hij een keer een uur op de wc te wachten tot de juf kwam helpen met afvegen. Ze kwam niet. Sindsdien is het mis met ­poepen. 

"Je moet het echt niet meer ophouden, schurrekie," zegt Benninga. "Als jij vandaag tegen jezelf zegt dat je nooit meer een vieze broek wil, is het waarschijnlijk snel over." Hij knikt braaf en laat dan zijn boek zien met plaatjes van bekende hockeyers. De dokter staat erin. "Mag ik een handtekening?" vraagt hij stralend.
 
'Geneeskunde in combinatie met topsport: ik denk nog steeds dat het een fantastische combinatie is' ©Renate Beense

Benninga en zijn zus, olympisch hockeyster Carina, groeiden op in Voorburg. Op zijn tiende gingen hun ouders uit elkaar. Hun vader hertrouwde en kreeg nog twee kinderen. Van tevoren vond de toen twaalfjarige Marc dat helemaal niks. Maar na de geboorte van zijn eerste halfbroertje was hij verkocht. Over die tijd zegt hij: "Ik vond het fantastisch om voor dat mannetje te zorgen. Of het echt waar is, weet ik niet, maar ik heb in mijn hoofd zitten dat ik toen heb bedacht dat ik kinderarts wilde worden." 

Voor hij kon beginnen aan geneeskunde werd hij twee keer uitgeloot. Hij ging in dienst bij een Haagse kazerne naast het hockeyveld, zodat zijn sportleven er niet onder leed. 

"Mijn moeder wilde dat ik er iets nuttigs naast deed. Ze stuurde me naar Schoevers om blind te leren typen. Ik had daar geen zin in natuurlijk, maar uiteindelijk vond ik het nog grappig ook en wilde ik het per se goed kunnen. Dat komt nu enorm van pas. Met die elektronische patiëntendossiers en idiote hoeveelheid administratie van tegenwoordig kan ik mensen blijven aankijken en doorpraten terwijl ik typ. Er zijn niet veel artsen die me dat nadoen."  

Er zullen ook niet veel artsen zijn met een olympische medaille.

"Nee, al heb ik die wel opgehaald op krukken. Ik scheurde aan het begin van de Spelen in Seoel in 1988 mijn kruisbanden. Dat was jammer. Maar goed, over geneeskunde in combinatie met topsport: ik denk nog steeds dat het een fantastische combinatie is. Topsport gaat over discipline, doorzettingsvermogen, teamgeest, pieken en dalen. Ik gebruik het allemaal dagelijks bij het wetenschappelijk onderzoek en in de spreekkamer."

Bij de ouders is de teleurstelling bij een daling erg groot, vond ik. Veel huilende moeders vooral.

"Ouders willen vaak meer diagnostiek, ze verwachten dat ik die darmen induik met slangen, buizen en camera's. Ik zeg heel vaak tegen mensen: ik zit hier ook om te voorkomen dat uw kind onnodig onderzoek krijgt. Kijken in de darm heeft helemaal geen zin, dan zie ik een gezonde darm en poep." 

"Diagnostiek geeft in mijn vakgebied een schijnzekerheid. Als ik dat uitleg aan mijn patiënten, gaan ze soms teleurgesteld naar huis met het idee: nou, Benninga weet het ook niet. Zo is het niet. Benninga weet het wel, maar het heeft geen effect op de behandeling van hun kind omdat er zelden een organische oorzaak is voor het probleem. Ze moeten zich vasthouden aan het idee dat het bijna altijd overgaat, ook al duurt het jaren." 

Bij kinderarts Jan Taminiau deed u 25 jaar geleden uw eerste wetenschappelijk onderzoek met achtduizend gulden, die u zelf had opgehaald bij vrienden van uw ouders. Inmiddels bent u toch wel van alles te weten ­gekomen over poepproblemen?

"Natuurlijk weet ik heel veel meer. Alle facetten heb ik zelf onderzocht, dat is het gave aan werken in een academisch ziekenhuis. We hebben naar voeding - vezels, probiotica, lactose - gekeken; heeft weinig invloed. We hebben de verschillende laxeermiddelen onderzocht. Dat heeft echt enorm bijgedragen." 

"Over de uitrekking van het laatste stukje van de dikke darm hebben we een grote studie gedaan. Vroeger dachten we dat mensen met dat probleem nooit meer normaal naar de wc zouden kunnen. Dat blijkt gelukkig niet het geval te zijn. Het zijn voorbeelden van kleine stapjes die we hebben gezet. Maar er is niet één medicijn gekomen waarmee iedereen geneest. En dat gaat ook nooit komen." 

Omdat poepen gewoon te ingewikkeld is als het niet gaat?

"Ja, het heeft zo veel kanten. Het heeft te maken met gedrag, met hoe je je voelt, misschien toch met darmflora, geslacht lijkt een rol te spelen. Seksueel misbruik en andere traumatische ervaringen hebben grote invloed, maar het kan ook ogenschijnlijk zomaar ontstaan." 

"Er komt een meisje bij mij dat ooit door klasgenoten op een stil landweggetje is banggemaakt en op de grond gegooid. Ze heeft sindsdien ernstige obstipatie en dat kan ik volgen, maar ik zie ook meisjes van twaalf die altijd normaal naar de wc zijn gegaan en letterlijk van maandag op dinsdag niet meer aan het poepen te krijgen zijn. Niet te begrijpen." 

Daarna: "Binnenkort beginnen we aan een groot onderzoek bij vrouwen tussen de 16 en 21 met prikkelbaredarmsyndroom. Twintig tot dertig procent van de vrouwen wereldwijd heeft hier last van. We gaan een poeptransplantatie doen, de eerste ter wereld, om te kijken of het flora van gezonde vrouwen anders is dan dat van vrouwen met buikpijn." 

"Je spoelt de darmen en daarna krijgt de helft van de vrouwen hun eigen poep terug en de andere helft de gezonde poep van een donor. Heel spannende materie. Ik zoek er een gigantisch bedrag voor, praat me suf bij allerlei fondsen. Helemaal leip word ik ervan."

Is het moeilijk om donaties te krijgen voor poep?

"Hartstikke moeilijk. Daar ben ik erg gefrustreerd over. Ik kan niet begrijpen dat er honderd miljoen naar kanker gaat en dat de Maag Lever Darm Stichting slechts een miljoen te besteden heeft aan álle darmziektes. En dat het ook nooit verandert. Iedereen springt, danst, zwemt en rent maar voor zeldzame ziektes. Dan denk ik: kom op, denk ook eens aan al die honderdduizenden vrouwen en kinderen met dagelijks ernstige buikpijn, en kinderen met obstipatie."

Poep is niet sexy en je gaat er niet dood aan als het niet komt.

"Nee, als je niks aan leukemie doet ga je dood, kinderen met prikkelbaredarmsyndroom of ernstige obstipatie hebben gewoon een rotleven. Ze wonen langer thuis, maken moeilijk vrienden, krijgen later seksuele relaties, worden vaker depressief, doen langer over hun school. Alles gaat mis door dat stomme poepen. Maar als ik dat vertel tijdens een fondsenwerving zie ik ze toch denken: tja, is dat nou erg? Echt waar, zo gaat het." 

"Pijnstilling bij kinderen met buikpijn is bijvoorbeeld ook nog nooit onderzocht, dat moet dringend gebeuren. Dat krijg ik natuurlijk uiteindelijk voor elkaar. Ik ben net zo ambitieus in het publiceren van wetenschappelijke artikelen als vroeger in het geselecteerd worden voor interlands."

Is alles een wedstrijd voor u?

"Ja, ik kan niet ontkennen dat ik zo in elkaar zit. Ik ben niet de enige thuis, hoor. Als je bij ons aan tafel zit voor een spelletje zijn er vier mensen die pertinent niet willen verliezen. Alleen onze oudste kan het relativeren. Die begrijpt echt niet waar wij ons druk over maken. Heel leuk."

Toch komt u best ontspannen over.

"Ik?"

Ja. Niet opgefokt in elk geval.

"Nou, ik kan verschrikkelijk fel zijn. Verwend geklaag bijvoorbeeld, daar kan ik bijzonder slecht tegen. Als ik ­Wilders hoor mekkeren over hoe slecht onze gezondheidszorg is, kan ik hem wel op zijn bek slaan." 

"Ik was laatst in Sri Lanka. Daar liggen dertig zieke kinderen op tien vierkante meter, zonder airco, zonder goede infuuspalen, niets hebben ze. En mensen hier maar zeuren. Terwijl wij het rijkst zijn van iedereen. We hebben de mooiste medische apparatuur, alles kan hier, iedereen is verzekerd en nog is het niet genoeg. Dat vind ik ontzettend oneerlijk."

Hij trommelt op de tuintafel. "Zie je, ik ben helemaal niet ontspannen. Geneuzel over regels, daar kan ik ook slecht tegen. Met de formulieren van de ethische commissie voor die poeptransplantatie zijn we nu twee jaar bezig. En we kunnen nóg niet beginnen. Allemaal regels, regel, regels."

'Als je bij ons aan tafel zit voor een spelletje zijn er vier mensen die pertinent niet willen verliezen' ©-

Kunt u goed poepen als u boos bent?

"Ik kan altijd poepen. Overal. Soms sla ik in het weekend een keertje over, dat wel, maar in het AMC ga ik elke dag. Hoe gaat het bij jou?"

Prima, dank u. Maar eh, werkt u elke dag keihard?

"Ja, best wel, maar ik merk het niet. Om kwart over zeven ga ik naar het ziekenhuis en ongeveer twaalf uur later kom ik thuis. In de tussentijd heb ik dan niet één keer op mijn klok gekeken, laat staan op Buienradar of zoiets. De dag vliegt om. Mijn zwagers zijn glazenwassers. Dat vind ik pas hard werken, de hele dag in de weer met die onwaarschijnlijk zware ladders, ook als het keihard waait en regent. Dan ik, achter die stomme computer. Ik vind het een luxe baan." 

"Alleen de druk van patiënten is wel erg groot geworden door het internet. Ouders e-mailen constant. Doodzielige verhalen over zwaar verstopte kinderen die vergaan van de buikpijn voor wie ik zo graag iets wil doen. Vaak heb ik bij het zoveelste mailtje weinig te bieden, maar de zin 'Ze moet er maar mee leren leven' krijg ik gewoon mijn mond niet uit. Dus ja, er zitten veel uren in, maar ik hou het makkelijk vol."

Zit u ook weleens op de bank Netflix te kijken?

"Nee, dat doe ik nooit. Ik kijk wel graag sport."

U meent het.

"Ik heb een paar idolen. Mijn leven al ben ik Cruijfffan, vroeger was ik idolaat van Björn Borg en tegenwoordig van Roger Federer. Ik vind het zo fantastisch wat die jongen kan en doet. Maar ik hou ook erg van lezen, Britain's Got Talent kijken en stripboeken - ik heb er tweeduizend."

Uw moeder heeft met uw grootmoeder, tante en oom kamp Bergen-Belsen overleefd. Uw grootvader was Engelandvaarder. Uw vader zat een tijd ondergedoken. Hangt de familiegeschiedenis van ­overleven samen met de geestdrift en gedrevenheid waarmee u in het leven staat? 

"Mijn zus zegt vaak dat het oorlogsverleden van onze familieleden een drijfveer is voor haar prestatiedrang. Ik heb dat niet. Ik ben nog nooit naar een psychiater geweest om me eens goed na te laten kijken, maar ik ben er eigenlijk zeker van dat het bij mij niet zo is. Ik hou gewoon van sport en van mijn werk." 

"Als klein jongetje wilde ik al altijd winnen, en toen wist ik nog niets van de Tweede Wereldoorlog. Wanneer Nederlanders op toernooien moeten presteren, zit ik bloednerveus voor de tv, en als Ajax of Federer moeten spelen zit ik me helemaal op te vreten. Wat is dat voor iets idioots? Waarom kan ik het niet een keer laten gaan? Ik heb werkelijk geen idee. Het is een afwijking, denk ik."

U staat toch weleens stil bij het verleden van uw ouders?

"Jawel, tuurlijk. Een tijdje geleden was ik in Jeruzalem om een praatje te houden. Mijn tante woont daar. Met haar ging ik naar Yad Vashem, het monument ter ­herdenking van de Holocaust. Ze hebben er onder andere een kamer met boeken waarin per land staat wat er met onderduikers is gebeurd tijdens de Tweede Wereldoorlog." 

"Mijn tante en ik kwamen haar verhaal tegen, en dat van mijn vader, de zevenjarige Ben Benninga. Op zo'n moment realiseer ik me dat het toch wel een wonder is dat ik er ben. Mijn tante is later meegegaan naar dat praatje. Dat had ik na het bezoek aan Yad Vashem veranderd in een persoonlijk verhaal. Ik kreeg er een staande ovatie voor. Geen enkel poepverhaal heeft me dat ooit opgeleverd."

23:37 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

Post een commentaar

NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog.