24-08-17

Piemelgêne

 Henk Van Straten

©Matthias Philips

Ik geef toe: tijdens het bekijken van al die penissen in het boek 'Manhood: The Bare Reality' tekende een lichte grimas aldoor mijn gelaat. Blijkbaar voel ik weerstand, of zelfs afkeer, jegens de medepenis. Dat is iets om over na te denken. Een van de geïnterviewde (anonieme) mannen in het boek: "In het herentoilet gelden ongeschreven regels: je kiest het urinoir dat het verste bij een andere man vandaan is en gaat alleen vlak naast een andere man staan als er verder echt geen urinoir meer vrij is. Je kijkt strak naar voren." En voor de kleedkamer in de sportclub geldt hetzelfde: "Omkleden doe je zo snel als je kunt. Je kijkt naar je kluisje. Je blijft niet staan dralen." Naar andermans penis kijk je niet.

Is het zo simpel? Zie ik simpelweg te weinig penissen? Dat als ik er ineens een stel bij elkaar zie, en ze ook nog eens afwijken van de mijne, ik daarvoor terugdeins?

(Maar wacht even. Hoe zit dat dan met de penissen in porno? Bij elkaar opgeteld bepaald geen klein aantal. Misschien zie ik daar een generiek soort penis; penissen die door een keuring zijn gekomen. In het boek van Dodsworth staat een allegaartje, een bonte verzameling. Kleine, grote, dunne, kromme, lichte, donkere, stompe, spitse, lange, dikke, rimpelige en bij-elkaar-geopereerde. Ze komen allemaal voorbij. Onverbloemd en recht van voren.) 

Nee, er moet meer aan de hand zijn. Ik vind de penissen een beetje vies en lelijk. Maar waarom? Zou ik, als mijn eigen penis erbij zou staan, ook daar licht van gruwen?

En stel dat dat zo is, dan vind ik dus zelfs mijn eigen penis een beetje vies. En daarmee de penis. Misschien heeft het te maken met wat er úit de penis komt. Urine, om te beginnen. Urine wil je niet op je hebben. En dan zaad. Dat kleverige goedje.

Vind ik zaad vies? Ik kom daar niet helemaal uit. Ja en nee. Het hoort erbij. Het heeft - letterlijk - het zaadje voor nieuw leven in zich, wat het toch tot een soort wondermiddel maakt. Een zaadlozing kan geil zijn, zelfs het visuele aspect ervan. Maar evengoed is het een beetje ranzig. Een soort wit snot. Nog wezenlijker is dat ejaculatie iets onbeholpens heeft. Als je het orgasme eenmaal toelaat kun je de lozing onmogelijk tegenhouden. Dat druist in tegen onze behoefte aan controle. Je hebt je laten gaan, je hebt iets laten ontsnappen. Die gedachte leidt al snel tot de volgende: het had niet mogen gebeuren. Gêne is daarop een logische reactie, net als op een scheet.

Waar het jezelf betreft is daar nog wel mee om te gaan, maar als je naar tientallen ándere penissen kijkt ontstaat er wellicht een cumulatie van plaatsvervangende schaamte. En ja, dan ga je grimassen.

Is dat het? Gruw ik (een beetje) van andermans penis omdat ik (een beetje) van mijn eigen penis gruw? Wat tragisch en zonde zou dat zijn. Er is niets zo jammer en onnodig als gêne voor wie of wat je bent. Niets zo verdrietig als de drang jezelf op te delen in wenselijk en onwenselijk. Niemand zou dat moeten hoeven doen, ook de man niet die vertelt: "Mijn hele leven ben ik me bewust geweest van mijn kleine penis. Zo lang als ik me kan herinneren schaam ik me er al voor. Ik weet zeker dat de relatie tot mijn penis mijn leven heeft gevormd." Kortom, zijn kleine penis maakte hem een kleinere man. "Als ik een grotere penis had gehad zou ik me met meer zelfvertrouwen onder andere mannen hebben begeven."

De penis is onlosmakelijk verbonden met het gevoel van mannelijkheid. Dat niemand precies weet wat mannelijkheid is, hoe het eruitziet, of eruit zou móéten zien, is daarbij irrelevant. Je voelt wat je voelt. Als je je schaamt dan schaam je je, en jezelf daaroverheen zetten is makkelijker gezegd dan gedaan. Ook ik zou me minder man voelen met een kleine penis. Stom, onnodig en misschien zelfs masochistisch, maar niettemin een feit.

Kortom: vrede sluiten met je penis is vrede sluiten met jezelf. Misschien dat sommige mannen hun penis daarom een naam geven. "Ik zeg niet graag penis en ook niet graag pik", zegt een andere man. "Mijn penis, Rufus, is een soort barometer die aangeeft hoe het is gesteld met mijn gezondheid, gemoed en fitheid." Deze man beschouwt zijn Rufus als een maatje. Rufus laat hem weten - door bijvoorbeeld tijdens de seks niet omhoog te komen - dat hij niet in goede gezondheid verkeert. Maar daarmee heeft hij tóch onderscheid gemaakt tussen zichzelf en zijn geslachtsorgaan. And never the twain shall meet.

Het blijft ingewikkeld. Wil je echt van jezelf kunnen houden, dan zul je ook van je penis moeten houden. En wellicht zelfs van de penis van de ander.

22:01 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.