19-07-17

Momenten van Bevriezende Frustratie en Verlammende Zwakheid (3)

Rond de jaren '60 heeft Papalief zijn toepasselijke naam ontvangen: "De Beul van Rumbeke". Ik weet nog altijd niet of hij een jood was, of een nazist, maar veel verschil maakte het niet uit.
 
Iemand heeft hem dat publiek geheim toevertrouwd.
 
Eigenaardig genoeg, deze keer had hij er mij niet terstond van verdacht deze naam verspreid te hebben in de school en wel, mijn oudere broer Dirk. Ik begrijp nog altijd niet hoe hij (Papa dus) dat te weten is gekomen en of het waar is geweest of niet, want Dirk heeft het nooit bevestigd, maar ook nooit ontkend. Diene keer was het dus toch eens Dirk's gelegenheid "heldhaftig" te zijn in het aanzien van zijn menige broers en zuster. God zij dank, dacht ik toen.
 
Het is gebeurd, zoals gewoonlijk, tussen de soep en de patatjes...
 
Eerst deed Fonske net alsof hij, al van te voren, niet wist wie de dader was geweest die deze lelijke uitdrukking over hem in de wind had gezaaid en besloot hij daarom iedereen van ons, streng zijn troep overschouwend, één voor één, daarover te ondervragen. Ik vond het al eigenaardig dat hij met mij begon, mij de gelegenheid schenkend alles hardnekkig te ontkennen en er hem beleefd op te wijzen dat we met zessen waren thuis, Mama er niet bij gerekend. Waarschijnlijk heb ik me nooit eerder in mijn leven zo ontlast gevoeld toen hij besloot zich vervolgens naar Geert, dan naar Hilde, naar Frank en dan naar Johan te wenden om dezelfde vraag elke keer opnieuw te herhalen: "zijde gij het geweest"? Naargelang hij de cirkel aan het aflopen was en ik nogmaals en geleidelijk aan terug in zijn zichtveld geraakte, hield ik niet op verwoed in mijn bord te blijven lepelen, waar ik alle moeite aanwendde om er de weinige moleculen soep die er nog aanwezig waren af te schuren, zo trachtend te bewijzen dat, om zo een verklarende scheldwoord uit te kunnen vinden men, op zijn minst, over een helder verstand moest beschikken en niet zoals ik, een uiterst domme en verwoede soep-op-slurper, te dwaas, vanzelfsprekend, om er verder tijd en speeksel aan te verspillen. Toen hij uiteindelijk bij Dirk geraakte, mijn laatste kans vertegenwoordigend en hij DE vraag opnieuw formuleerde en er geen antwoord op kreeg en hij DE vraag nogmaals, maar nu met minder geduld, herhaalde, besefte ik opeens dat dienen dag, eindelijk, ik mijne bril niet zou moeten opzij leggen. Wat ik niet verwachtte was dat Dirk, zijn schuld zwijgend herkennend, heeft getracht de tafel te ontvluchten en daar meende een kans in te zien de terechtstelling te ontlopen. Niet omdat hij een stoel verder weg zat van Nonkel Fons.
 
Ongelukkig genoeg is Dirk gestruikeld over de eerste trede van de marmeren trap, al in de gang van ons huis, leidend naar de slaapkamers, op het eerste verdiep...
 
Wij, zijn broers, zuster en Mama, hebben in alle stilte, nog met ons hoofd over het soepbord gebogen, in de eetkamer, doorheen de open gezwaaide deur, de droge stomp gehoord, afkomstig vanuit zijn rug. Papa woog toen al ferm over de tachtig kilogrammen en Dirk was er toen vijftien of zestien? Ik weet het niet meer, maar sedertdien heeft Dirk last gehad van zijn rug. 't Zal toevallig geweest zijn. Zeker en vast.
 
Papa rust in vrede.
 
Het heeft allemaal samen een tiental jaren geduurd en het is maar definitief gestopt toen hij, voor de eerste keer (voor zover wij dat weten althans) aanstalten maakte Mama er ook eens van langs te geven. En dat is juist de druppel geweest die de emmer, eindelijk, heeft doen óver lopen...
 
De reden daarvoor was geweest dat ze, samen met ons, de jongste kinderen, gedurende de paasvakantie(?), besloten had enkele dagen in Laarne (waar haar familie een bloemisterij uitbaatte) door te brengen, zonder eerst aan hem om goedkeuring gevraagd te hebben. Toen we terug keerden en op het ogenblik dat wij het huis binnen stapten, beval hij ons, de kinderen, op de sofa neer te gaan zitten, besloten als hij was haar ook eens een les te geven die ze nooit ne meer zou vergeten, met ons als geacht publiek, toe-gapend. Hij draaide zich onmiddellijk naar haar toe en vroeg haar kalm (allez, bij manier van streken, hé) haar armen achter haar rug te kruisen...
 
Dat kende ik maar al te goed en toen ik opeens besefte wat er allemaal zou volgen, vanaf datzelfde ogenblik, indien we dat nog verder zouden blijven permitteren.
 
Met al mijn eigen nerveusheid, lamme armen en slappe benen heb ik toch nog de moed kunnen bijeen rakelen, van vanachteren op zijn brede rug te springen (hoog was dat eigenlijk niet, maar 't is toch niet gemakkelijk geweest) en alhoewel hij zich onmiddellijk, perplex, naar mij óm draaide en ik begreep dat ik alléén, weeral geen enkele kans zou hebben, heeft hij dat tezelfdertijd ook moeten beseffen, begrijp ik nu, dat dat wel, mogelijks, de laatste gelegenheid zou worden, niet precies en alleen door mijn actie, maar vooral door de reactie van Mama, die voor de eerste keer in haar leven besloten had mij lichamelijk te verdedigen. Ze vloog hem, met haar lange nagels uitgestrekt, van vanachteren aan, om de kastaar van zijn neus stevig vast te kunnen klauwen (gelukkig zijn we allemaal ver van die boom gevallen, op dat gebied), wat een onmiddellijke wonde veroorzaakte, zodat hij zich nogmaals bruusk omkeerde, maar deze keer terug naar hoe toe, duidelijk aangetast door al deze ongewone en zichzelf vermenigvuldigende reacties. Schreeuwend naar mijn jongere broers en zuster, die tot op dat ogenblik, in passieve afwachting op de sofa waren blijven zitten (Geert had juist de aanwezigheid vastgesteld van een eng puistje, binnenin zijne neus), dat ze onmiddellijk de commissaris, die wat verder in de straat woonde, moesten gaan roepen, vooraleer hij iemand zou vermoorden, deinsde ik met angst nog verder terug, maar het was eigenlijk niet meer nodig geweest...
 
Hij had ineens begrepen dat de wind aan het draaien was en hij heeft het, verslagen en bloedend aan zijn neus, zonder nog één enkele verklaring, of zelfs een enkel woordje geuit te hebben, afgestapt. Die avond hebben we Mama aangeraden het huwelijksbed te verlaten en bij ons, in één van de kinderslaapkamers, de nacht door te brengen. Dat heeft ze moedig geweigerd en het belette, mij alleszins, de slaap te vinden. In de vroege morgen is hij dan toch terug gekeerd en heeft, deze keer stillekes, de sleutel in het slot omgedraaid en is op de tippen van zijn tenen lopend, de trap óp geklommen om zijn plaats, naast Mama, in bed, te gaan opzoeken.
 
's Anderendaags heeft niemand hem óp zien staan...

09:53 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

Post een commentaar

NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog.