22-07-17

“Ze hebben mij getemd”

Verwijzend naar eerdere post's over Papa-Lief voel ik mij verplicht daar enkele anekdoten aan toe te voegen: 

Aangemoedigd door de opvallende verdraaiing in de richting van de wind ondervonden door de alom heersende Nonkel Fons, heeft Frank, zijn oudste zoon, enkele maanden later, ook zijn respectieve daad van moed gepleegd. Hij had, met ware afschuw, ontdekt dat zijn altijd bekommerd vaderke heimelijk zijn allereerste lief (ooit) had opgezocht met de bedoeling haar zijn echt (schuw) karakter, in geuren en kleuren, eens lekker uit de doeken te doen, zodat ze verschrikt besloten had een einde aan de verhouding te stellen. Smoorverliefd zoals hij was, vooral op haar ferm vooruit puilende borsten, kon hij het niet verteren dat nonkel Fons daar zijn grote neus had tussen gestoken, waarschijnlijk met de bedoeling zelf eerst eens aan het verboden fruit te zuigen en er haar alzo van te overtuigen dat, indien ze echt klaar stond haar velleke definitief op te offeren, ze het beter eerst aan hem, een waarlijke held van de tweede wereldoorlog, zou moeten aanbieden. Onmiddellijk ná dat geweten te zijn gekomen, stoomde hij huiswaarts met de bedoeling de rollen nu ne keer om te keren en zelf een goed verdiende rammeling toe te passen. Ongelukkig genoeg was vaderke-lief niet thuis op dat moment.

Frank was totaal onherkenbaar: voor het eerst zag ik een ontembare en op wraak beluste broere, met de zenuwen van alle poriën van zijn vel uitpuilend. Ik meende zelfs schuim op zijn lippen ontdekt te hebben. Hij besloot hem af te wachten en trachtte ons, zijn aanwezige broers, ervan te overtuigen, hem te vergezellen in zijn kruisvaart en allemaal samen ons heilig vaderke eens een paar goed gemikte muilperen terug te geven. Ik herinner me niet of Dirk aanwezig was; Johan was nog te klein; Hildeke diende daar niet voor en Geert had zojuist weeral een nieuw puistje binnenin zijne neus ontdekt (iets wat hij van zijn moeder geërfd heeft). Ik bleef dus eigenlijk alleen over en eerlijk, ik begreep niet goed wat er juist aan de gang was, want hij faalde erin mij volledig in te lichten over wat er precies gebeurd en/of niet gebeurd, was. Frank rekende er waarschijnlijk op dat de tientallen voordien in gecasseerde en onrechtvaardige rammelingen die ik, zonder kosten, van vake ontvangen had, meer dan reden genoeg betekenden om hem vrijwillig bij te springen. Van den anderen kant, ik herinnerde mij op dat ogenblik niet of die schone trouwheid en medeplichtigheid ooit al eens de straat van het tweerichtingsverkeer had betreden en, puntje bij paaltje gezet, kon hij er mij dus niet van overtuigen mijn hand voor hem in het vuur te steken. 

Enkele minuten later hoorden we dan toch het verwachtte, typische, gefrutsel van de "sleutel in het slot". Er was geen tijd ne meer voor verdere afspraken en overbodige uitleg. Toch bleef ik in de buurt rond slenteren. Verrast zag ik hoe Frank de riem uit zijn broek trok, het uiteinde twee keer rond zijn gesloten vuist windend en de riem met de andere kant, waar het ijzeren slot eraan ging, verschillende keren, zoals een zweep, op de eettafel néér deed verpletteren, wat ook aan mij een respectvolle indruk gaf, terwijl de deur van de woonkamer beslist open geduwd werd. Het was eigenaardig de verrassing van Nonkel Fons gade te slaan: uitgedaagd worden in zijn eigen huis!! Frank had zich veilig aan de andere kant van de rechthoekige tafel geplaatst terwijl hij voortdurend met de riem voort bleef pletsen, wat verschillende definitieve littekens op het schone hout heeft achter gelaten. Ik herinner me niet meer wat er juist van de ene kant naar de andere werd getierd, alhoewel op dat gebied Fons duidelijk het onderspit aan het delven was. Verrast maar rap hersteld voor de strijd, zoals een getergde leeuw, besloot hij, zich rond de tafel bewegend, Frank persoonlijk en face-to-face te ontmoeten. Zich nog altijd duidelijk herinnerend van de apensprongen die hij geregeld in de Turn-Club van de Broederschool, "Fris en Flink", had moeten uitvoeren, besloot mijn broer zich naar de andere kant te katapulteren zodat binnen enkele seconden, de ene, rond de tafel, achter de andere liep, zonder dat, eventuele aankomende bezoekers, juist zouden kunnen bepalen, wie juist achter wie liep. Ik stond er maar op te kijken, zonder de aandacht te willen trekken van ons liefdevol vaderke, maar toch geïnteresseerd in te weten wie, uiteindelijk, het rapst zou zijn. Alhoewel ik verschillende keren de gelegenheid had gehad nonkel Fons een beentje te leggen (maar ge begrijpt dat wel hé, ik wilde geen steentje werpen op het glazen dak van Fonske, beseffende dat ikzelf er ook één had, of beter, de aandacht niet wilde trekken van een razende stier), heb ik dat dan toch niet gedaan. Feit is dat Frank, na ongeveer twintig toeren rond de tafel, opgemerkt heeft dat Papa vreemd begon te kuchen, te hijgen en te hoesten en hij het gepast vond plotseling te ontsnappen van de vicieuze cirkel rond de tafel, een tangent gebruikend, om daarna voor een paar uren te verdwijnen, terwijl vakelief verschillende additionele rondjes nam, vooraleer te beseffen dat de prooi hem was ontsnapt...

Ja hoor, ’t zijn wrede beesten, die Van Leuven’s... en dan bedenken dat hij op ’t einde (in het jaar 2000 – vijfentachtig jaar oud?), na wég getrapt te zijn geweest uit zijn eigen huis in Kuurne (dat hij, om te vermijden dat het, vroeg of laat, in de handen van zijn eigen kinderen zou vallen, op de naam had gezet van zijn laatste gezellin die, eigenaardig genoeg nog scheler was dan ik, wat me altijd één van de voornaamste redens bleek geweest te zijn voor zijn immense afkeer voor mij) te voet, van het oude mannekeshuis, waarin hij de laatste maanden (jaren?) van zijn leven heeft door gebracht en waar hij die morgen van zijn bed was gevallen, naar het hospitaal is gewankeld om daar, drie dagen later, alléén te sterven, weg gegeten van de uitgezaaide kanker...

... diene koppige smeerlap, die dertig jaar lang zijn zes kinderen niet meer heeft gezien en nog minder, de meerderheid van zijn kleinkinderen.

Zonder begraven te willen worden (hij heeft zijn lijk aan het universiteit’s ziekenhuis aangeboden, in de naam van de wetenschap - ik begrijp niet goed met welk doel eigenlijk) heeft hij op een stukje papier geschreven, toen hij al geen woorden meer kon uiten en vooraleer zijn laatste adem uit te blazen: “ze hebben mij getemd”.

Hilde heeft het op haar verantwoordelijkheid genomen te redden, voor haarzelf, wat er nog te redden viel, waaronder, veel kapotte vulpennen, lege stylo's en botte zakmessen.

Wees gelukkig met hen, Hilde...

08:58 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.