14-07-17

Momenten van Bevriezende Frustratie en Verlammende Zwakheid (2)

De ontvoering van mijn zoon (zoals eerder al beschreven):

"Iets minder tragischer, dat zich met Rudo Júnior, in Rio de Janeiro nog, heeft afgespeeld, was zijn ontvoering door mijn eerste vrouw en zijn moeder. Soms had ze zo van die vlagen van totale ontreddering, dicht bij de waanzin aanleunend. De voorafgaande keren was het altijd bij het tieren en het "schandaal maken" gebleven, terwijl ze toch niet aarzelde onze voordeur wijd open te smijten, zodat alle aangrenzende buren nieuwsgierig hun neus naar buiten staken om na te gaan wie er precies vermoord zou worden. De oorzaak was normalerwijze door mij onbekend en stond ze me al woedend en met schuim (figuurlijk gesproken) op haar lippen op te wachten, toen ik, volledig onschuldig en op niets voorbereid, thuis kwam, uitgeput van het werk. De redens varieerden van een dom bekgevecht met de beenhouwer die wat te veel vet tussen het gekapt had gestoken (en zij hem gezworen had ’s avonds met haar man terug te keren), tot en met die tergende telefoontjes die ze ontving van een, mij nog altijd onbekende vrouw, die haar uitdrukkelijk aanraadde zich van mij te scheiden. Op die gelegenheden hield ik natuurlijk wijs mijn mond om het laaiende vuur niet aan te wakkeren, maar meestal eindigden die hevige ruzies met haar onweerstaanbare pogingen zelfmoord te plegen. Het waren eigenlijk geen echte pogingen want ze deed het nooit terwijl ze alleen thuis was en wel als er iemand toevallig dicht bij haar stond, zoals een vriendin, een zuster of een broer die bij mij inwoonden. Die slaagden er dan gelukkig in haar nog net op tijd bij haar kraag vast te grijpen. Ikzelf trok me dan altijd verschrikt terug in mijn werkkamer want ik ben nooit goed bestand geweest tegen zulke soort drama’s. Dan gaven ze haar wat kalmeringsmiddelen, begon ze luid te schreien en snikkend ging ze dan gaan slapen. 's Anderendaags vroeg werd ze altijd het eerst wakker, raadpleegde ongeduldig het uurwerk en weg was ze, naar de universiteit of naar het kantoor. Alles vergeven en vergeten.

Zij had toen al een nieuw autootje gekocht, met mijn geld natuurlijk, een Fiat 147, dat ik wat later zelfs aan één van haar toevallige, minder-in-de-poen-zittende, vrijers heb moeten afstaan, maanden lang, terwijl ikzelf vele keren naar mijn werk moest tjoolen met de bus, of met een vriend, liftend. Als dank en wraak verplichtte hij (haar vrijer dus) mijn zoontje, hem als “Papai” te noemen.

Heerlijk, en ik was zelfs nog niet eens dood…

Één enkele keer is ze echter duidelijk té ver gegaan. Zelf weet ik niet juist waarom. We hadden toen pas een appartement, alleen op haar naam, gekocht, een paar blokken verder van het bestaande, in een wijk genaamd Grajaú, in Rio, dat voor mij bestemd bleef, alhoewel wat ouder en minder ruim, natuurlijk, maar een prachtig uitzicht aanbood over een groot deel van de stad. We hadden ons die twee appartementen praktisch contant aangeschaft, in een korte tijdspanne, met méér dan tachtig percent van mijn inkomen, nadat we ons eerste appartement hadden verkocht en waar alles, eigenlijk, begonnen was. Soms heb ik er nog heimwee aan, alhoewel Hilma, toen al ambitieus en vooruitstrevend, een beetje beschaamd was over die wijk en elke keer iemand belangstellend wilde weten waar we woonden, ze in plaats van de naam van de echte wijk te vermelden (Praça Da Bandeira), ze de naam van de aangrenzende wijk (Tijuca) gebruikte, eraan toevoegend dat het gebouw zich op de grens van de twee wijken bevond.

Hilma heeft dan rap voor haar verhuis gezorgd, niet nalatend de beste en schoonste meubelen en andere belangrijke en kostelijke huiswaren, mee te grabbelen en besloot haar toen vers veroverde vrijer uit te nodigen haar te vergezellen. Ongelukkig voor mij was hij van dat type “dat nog gene nagel had om aan zijn jeukend gat te kunnen krabbelen”, alhoewel toen ook al advocaat, zoals Hilma, die zich een paar maanden vroeger in de Federale Universiteit van de Staat van Rio De Janeiro gevormd had en al degelijk geld begon te verdienen, genoeg om zichzelf, later, haar eigen kantoor en garage in het centrum van Rio, aan te schaffen, plus nog een huis aan het strand, ongeveer honderd kilometer ver weg, in het noorden van Rio.

Op een zonnige morgen was ik rustig in het kantoor aan het werken, toen ze me ineens opbelde. Schreeuwend en schreiend daagde ze mij uit haar meteen te gaan opzoeken. Ze had, tierde ze, zojuist onze zoon Rudo Júnior ontvoerd en was samen met hem in de auto, roekeloos, het wilde stadsverkeer in het centrum van Rio, aan het uitdagen. Straat in, straat uit, zonder weg te deinzen voor voetgangers, éénrichtingsverkeer, politieagenten en groenten- en fruitkarrekes. Ze dreigde voortdurend Júnior op het volgende moment te vermoorden en daarna zelfmoord te plegen. Ik zat versteend en radeloos in mijn stoel. Bleek als een lijk, veronderstel ik nu. Ze belde één keer van een bepaalde plaats, wierp de telefoon neer, belde een tweede keer vanuit een andere plaats, smeet de telefoon neer, belde een derde keer vanaf een nog andere plaats, wierp de telefoon terug neer en dáár zat ik, zonder op iets mogelijks te doen, te kunnen denken. Tenslotte belde ze een laatste keer op, al ver weg vanuit het centrum, de weg op naar afgelegen stranden (beweerde ze zelf) en gebood mij definitief afscheid van Rudo te nemen, want nu zou het gebeuren. Ze zette Júnior voor enkele weinige secondekes aan het telefoonapparaat en hij brabbelde wenend wat onverstaanbare woorden.

En dan overheerste de stilte. Wat nu doen? Ik had geen enkel gedacht van wáár ze precies te vinden zou kunnen zijn. Stranden zijn er in het noorden en in het zuiden van Rio. En was ze wel de waarheid aan het vertellen? Ten andere, het zou zeker geen goed idee zijn haar in die toestand te ontmoeten. Was het dan al storm, het zou een cycloon worden (ik ben niet van het type dat uitdaagt: “kom maar heet af, want ik ben al aan het koken”).

Volledig in de put besloot ik mijn hart te luchten bij de kantoorchef. Niettegenstaande mijn bestaande afkeer voor hem, veroorzaakt door zijn eeuwenoude “stampend naar beneden en gatlekkend naar boven” was hij, op dat moment, de enige persoon, bekwaam, met zijn berekende koelbloedigheid, een steun voor mij te betekenen. En ja, degelijk, de enige oplossing was, bevestigde hij: AFWACHTEN! Er was niks anders aan te doen. En dat heb ik met spannende buikspieren gedaan. Één, twee, drie uren lang. Gereed (??!!) om een telefoontje van de politie te ontvangen om mijn volledige naam en adres te bevestigen en me dan voorzichtig mede te delen dat, “ongelukkig genoeg, uw vrouw en kind...”.

Dat is dus niet gebeurd.

Ik kreeg wel een boodschap van haar nieuwe meid (de vierde of de vijfde in een rij), samen met een buurvrouw (in het gebouw waar ze toen al woonde), om me in te lichten dat beiden, moeder en zoon, daar zopas met alle mogelijk schandaal gearriveerd waren. Ze stonden beiden op het balkon van het appartement en Hilma dreigde, samen met Junior. die ze vast in haar armen klemde, naar beneden te springen, ongeveer dertig meter diep. De buurvrouw, die ik nooit eerder van mijn leven had ontmoet en tot heden nooit gekend heb, schelde me uit voor alles wat lelijk was, zoals lafaard, smeerlap, zoon van een hoer, plus andere, dergelijke maar nog slechtere vloekwoorden die ik me niet meer kan herinneren. De meid smeekte, ook schreiend, mij onmiddellijk naar het appartement te wenden om te beletten dat ze zou springen, Júnior meeslepend....

Maar toen juist begon ik me geruster te voelen. Blaffende honden die altijd maar blijven blaffen, bijten niet. Het grootste gevaar was over!!

Mijn aangezicht aan Hilma tonen, op zo’n ogenblik, zou haar vuur nog erger aanwakkeren. Dat wist ik. Zeker en vast. Dus belde ik naar Lígia (mijn nieuw lief toen en nu nog altijd, huidige, vrouw) en naar mijn eigen meid, Maria Domingas, waar ik nooit mijn handen naar heb uit gestoken, vooraleer ge dat begint te peinzen en toch beweert van mij te houden), om hen te smeken mij te vervangen in die beslissende opdracht. Alhoewel ze beiden, aanvankelijk, wel een beetje tegen stribbelden, hebben ze me niet ontgoocheld. Toen ze daar geraakten, een kwartier later, was de gehele wijk al op stelten gezet. Veel van de fel geïnteresseerde nieuwsgieriggaards vormden een halve kring daar beneden aan het gebouw en sommige, vooral toevallig voorbij passerende “moto-boys” en studenten die daar dichtbij studeerden, begonnen zelfs in koor “pula, pula, pula” te roepen (wat overeen komt met “spring, spring, spring”). Anderen zorgden er rap voor hun auto's, die daar beneden geparkeerd stonden, in veiligheid te brengen. Nog anderen keken onberoerd door hun eigen ruiten, hopend op een rappe beslissing, want het vlees stond al aan te branden. Ze bevond zich nog steeds op het balkon en bleef dreigen te springen, met Junior in haar armen; toen amper zes jaar oud...

Iemand had de brandweer geroepen en die waren er ook pas, met luide sirenes, bij gekomen. Meteen begon Hilma de officier van de brandweerwagen uit te schelden voor elke naam die ze zichzelf kon herinneren, onder andere, maar niet beperkt tot: “hoer die u gebaard heeft”, “bloedend gat”, “smerige bastaard”, “moederfucker”, “harde lulzuiger” en “crapule” (dat laatste heb ik er zelf bij gezet, want eens had een Brusselaar mij zó uitgescholden omdat ik daar, in Brussel dus, onze hoofdstad, mijn Vlaams had durven gebruiken en ik vond dat dat woord, al bij al, ik begrijp niet goed waarom, toch uitstekend te pas kwam), enzovoort (de meid kon zich ook alle gebruikte namen niet meer herinneren, toen we er achteraf, opgelucht, over ná praatten). De brandweer officier kreeg er zelfs hoofdpijn van want hij schoof zijn kepie wat achteruit en scharde verveeld aan zijn voorhoofd. Uiteindelijk besloot hij dat het, op dat terrein, eigenlijk té gevaarlijk werd voor hen en besloten ze ook alleen maar te blijven kijken, om dan pas later de brokken bijeen te moeten vegen.

Mijn meid, Hilma’s meid, Ligia en die onbekende buurvrouw, hebben haar op den duur toch kunnen overtuigen een glas water met suiker in te slikken, gemengd met een kalmerend geneesmiddeltje en haar uiteindelijk toch in slaap hebben kunnen krijgen.

De volgende morgen is ze vroeg wakker geworden en zonder tijd te verliezen is ze vlijtig naar haar werk vertrokken.

Diezelfde avond nog, voor de eerste keer in mijn leven, heeft Lígia mij met een taxi naar het hospitaal moeten voeren, met buikkrampen, die me beletten in slaap te geraken.

Rudo Jr. is ook nooit meer dezelfde geweest. Een paar weken later, toen ik hem treurig en alleen door het venster zag staren en hem vroeg wat er aan de hand was, antwoordde hij, volledig verslagen, dat hij verkoos “dood te zijn".

Ga met zo een gerucht in uw oren, als vader, gaan slapen.

Iedereen, in het leven, heeft precies wat hij verdient.

Ik heb het dus hoogst waarschijnlijk wel verdiend…."

18:47 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

Post een commentaar

NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog.