12-07-17

Momenten van Bevriezende Frustratie en Verlammende Zwakheid

Slechts enkele keren in mijn leven heb ik, sedert mijn jeugdjaren, te kampen gehad met totale overgave aan nijpende FRUSTRATIE, met bijgevolg knikkende en trillende knieën die ik onvermijdelijk al kreeg iedere keer wanneer ik voor mijn vader had gestaan, gereed om, in alle geduld- en koelheid, afgeranseld te worden.

Dan wist ik al van te voren af dat het niet rap voorbij zou gaan en dat de marteling mij op mijn knieën (figuurlijk) zou dwingen, zodanig dat ik mijn pis niet kon blijven ophouden en overvloedig, rechtop (ook figuurlijk), maar wel met gebogen hoofd, de kraan van vanonderen, ongewild, open liet draaien, met als natuurlijk gevolg, de totale vernedering en de afgrijselijke schaamte ten opzichte van iedereen die mij toen, nuchter, gade bleef slaan, terwijl proberend tekens van heldhaftigheid en dapperheid te ontwaren, onder meer door mijn geliefde broederkes, wat echter niet mogelijk is geweest.

De allergrootste keer, die mij tot vandaag hindert, is gebeurd toen ik ongeveer dertien was en op de speelkoer van de Broederschool, in Roeselare nog, op de rug had gesprongen van mijn oudste broer die daar wat, in een rondje, aan het tateren was geweest met enkele van zijn collega's. Ik heb het al eens verteld hier, in deze blog, maar ikzelf krijg er nooit genoeg van. Het dient mij als basis wanneer ik wil begrijpen hoe scheel en scheef ik wel gegroeid ben.

"Feit is dat ik geen enkele genegenheid koesterde voor onze, door veel andere mensen uitzonderlijk geliefkoosde, papa en zelfs onwillekeurig een rilling door mijn ruggengraat voelde lopen iedere keer ik hem zijn sleutel in het sleutelgat van de voordeur hoorde frutselen om dan vervolgens, ons huis, dreigend binnen te dringen. De drang om al de uitgespookte (mis)daden die ik wat vroeger in de morgen had gepleegd, op straat of in de school, rap en compleet uit te leggen gedurende het middagmaal, juist náást hem gezeten, tussen de soep en de patatjes, deed me bijna altijd mijn kraantje, daar beneden, onbewust toeknijpen, in afwachting van de verlossing van de opgestapelde nerveusheid en de schrik van wat komen zou. Voorafgaande klokluide bevelen zoals, "remm'n", "voet'n ópheff'n", "hand'n nere", maakten het mij nog moeilijker mijn koud bloed te heroveren. Sommige keren had ik zelfs helemaal niks op te biechten en toch zocht ik wanhopig naar eventueel toepasselijke explicaties, maar dat hielp niet altijd en meestal hief hij zich dan traag recht op, want de warme patatjes waren toch nog niet gereed en zijn handen jeukten zo verschrikkelijk en vroeg hij me dan beleefd ook recht te gaan staan en gezellig dichterbij te komen treden, onder handbereik, niet vooraleer mijn lelijke bril met de dikke glazen op de kast te hebben gelegd, want hij had al tientallen exemplaren kapot geslagen gedurende vorige gelegenheden en hij was het beu altijd maar opnieuw brillen te moeten aanvragen bij de Ziekenbond, die het alias eigenaardig begonnen te vinden dat ik zo veel brillen kapot brak en hij me juist daarom nog wat méér wilde straffen en hij me dus ineens vlakaf beviel mijn handen achter mijn rug te houden, want hij was het ook beu geworden zijn tedere handen aan mijn beenderige ellebogen te kwetsen en hij mij daarom goedwillig het voorbeeld toonde en ook zijn handen achter zijn rug verborg, weliswaar met een andere bedoeling, om mij zo in verwarring te brengen en mij niet vooraf te laten weten van waaruit welke kant de eerste dreun zou vertrekken en ik toen pas echt in mijn broek begon te pisschen, van pure verwachting en ontzetting, maar hij me tenslotte toch nog verraste met een uiterst vlugge zwaai, die mijn wang op datzelfde ogenblik deed gloeien van de hitte en hij hetzelfde nogmaals verwezenlijkte met zijn andere hand, onverwachts ook, want ik was nog aan het bijkomen van de eerste, terwijl zijn zware gouden ringen diepe littekens nalieten in mijn bleke kaken en nu ook mijn oren fel rood begonnen uit te slaan en hij besloot de ondervraging te herstarten, want ik maakte geen aanstalten om vergiffenis te smeken en onderdanig mijn tranen te laten vloeien, wat ik eigenlijk wel wilde doen, maar ze kwamen er gewoonweg niet uit, van pure angst, alhoewel mijn onderdeur wel bewees dat ik mij echt aan het bekeren was, maar wat hij niet als verontschuldiging aanvaardde, terwijl iedereen, ik bedoel, de overige broers en zuster, ook onderdanig en met hun blozende aangezichten in hun lege soepborden gedompeld zaten, God bedankend dat ik wel degelijk den domste van de ploeg was en het daarom niet onredelijk vonden dat ik het dichtst bij hem moest gaan zitten en zo te vermijden zelf op de riem gelegd te worden, want daar begon zijn preek weeral, langzaam en overtuigend, en vouw uw handen maar achter uwen rug want ge zijt de schande van de familie en ik, bevend van de verwachting, of beter, van de opkomende verrassing, mijn schouders ophief om de slag wat te dempen maar hij toch bekwaam was, met zijn jarenlange ervaring, deze te ontwijken en de deun door de woonkamer te laten echoën, want dat was een pracht van een zwaai geweest en die hij onmiddellijk wilde herhalen, terwijl hij het juiste tempo onder controle had, het perfecte concentratiepunt had gevonden en hij opnieuw het doel trof, alhoewel wat minder nu, maar toch nog duidelijk hoorbaar bij de buren die niets zegden, zoals overigens ook de broers en de zuster niet, die het niet helemaal onjuist vonden en geen enkel geluid veroorzaakten, om vooral zijn aandacht niet af te leiden, tot Mama, tot dan toe stil, vanuit de keuken, haperend aankondigde dat de warme patatjes intussen al gereed waren geraakt en dat het nu "al een beetje genoeg" was geweest en ik trillend van de ontreddering en van onderen volledig doordrenkt van de ontsnapte pis, haastig mijn bril terug op zette en volledig verslagen terug op mijn stoel kroop, niet begrijpend wat ik allemaal had misdaan en waarom ik weeral eens zoveel slagen had gekregen en ik, niet zonder moeite, de hete patatten kon inslikken en wanhopig hoopte dat iemand anders zijn aandacht zou trekken, tot ik uiteindelijk naar mijn slaapkamer kon kruipen om van broek te veranderen en van daaruit verbaasd mijn broers en zuster hoorde spelen in de hof, alsof er niets gebeurd was en ik mezelf voorbereidde om terug naar de Broederschool te rijden met mijnen oude velo, type "torpedo" en op de terugkeer van de school, alles al vergeten, een wedstrijd aanging, bijna alle dagen, met Jean-Pierre Monseré, de toekomstige wereldkampioen wielrennen, om te zien wie er het eerst aan de brug van de vaart (aan de linkerkant van die brug bevond zich een zandberg, waar we geregeld naar toe reden om daar, spelend, de woensdagnamiddagen door te brengen) geraakte en ik, eens op de Mandellaan, bijna alle dagen, vast stelde dat hij nog steeds de rapste was, maar dat ik hem toch, af en toe, eens kon verrassen en op het nippertje van hem wist te winnen, vooral als ik wat eerder had kunnen vertrekken, hij gevallen was, of met een platte band aan het rijden...

Ik heb hem ooit eens, in het geheim, gevraagd waardoor het kwam dat hij altijd van mij won en hij heeft me toen, wantrouwig rond glurend om er zeker van te zijn dat niemand ons aan het spioneren was, toevertrouwd dat hij elke dag het overschot van de fles karnemelkpap die zijn vader, een metser, meenam naar zijn werk, opdronk en dat dat de reden was van zijn kracht, maar ongelukkig genoeg, ik haatte karnemelkpap en zo ben ik nooit wereldkampioen kunnen worden...eh, wat een flater....

Natuurlijk gebeurden deze “geheime toevertrouwingen” altijd gedurende de speeltijd, op de koer van de school en het riep normalerwijze de aandacht van de meest dichtbij spelende, overige kinderen. Mijn vader, altijd zorgvuldig naar mij loerend om mij te betrappen op nieuwe zonden, van de ene kant van de koer naar de andere stappend, vergezeld of niet van andere schoolmeesters, geen enkele ervan zo streng als Nonkel Fons, maakte van die gelegenheden gebruik om aan iedereen te bewijzen hoeveel hij me wel haatte. Meestal werd de straf ter plaatse uitgevoerd, zijn daarvoor speciaal meegenomen houten regel aanwendend, die hij hard en verschillende keren op mijn schedel liet dreunen, tot hij onveranderlijk in tweeën brak, wat hem nog razender maakte en hij besloot een andere, ook daarvoor meegenomen regel, vanuit zijn onuitputtelijke voorraad, te gebruiken om mijn kneukels purper te slaan. Somtijds, verrast en zonder gepaste voorwerpen in zijn dichtste omgeving te vinden, besloot hij mij praktisch op te heffen aan alleen maar één van mijn twee oren en me rond te schudden tot ik dacht dat mijn oor er vanaf zou scheuren (Papa was toch wel nen sterke mens, hé, oersterk, eigenlijk zo sterk als een beer zelfs!), of zowel één van mijn wangen vast te grijpen tussen wijs– en middelvinger, terwijl hij dan zorgvuldig zijn duim tussen beide wrong en een gaatje probeerde te boren met de nagel van zijn duim, in het vast gesnoerde vel, tot de tranen in mijn ogen sprongen van de pijn. Maar dat veronderstelde allemaal krachtverspilling voor hemzelf en zijn voorkeur ging duidelijk naar het onbeschermd afranselen, wat hem aanzienlijk meer genoegen verschafte, vooral als andere mensen er stonden op te kijken. Dat gaf hem blijkbaar een puur gevoel van macht en straalde respect uit naar de erop starende kinderen, collega's en zelfs directeurs. Niemand is er ooit tussen gekomen, blijkbaar uit angst dat hij zich naar hen zou omkeren. Niemand was zó overheersend.
 
(Zoals in de sprookjes gebeurt, heb ik dat tenslotte zelf, in mijn eigen onderbroek pissend, gedaan. Later komt dat hier nog wel eens te pas. Het heeft alleen maar bewezen dat, wanneer dat gebeurt, de uitdager zich plotseling omvormt in een "loser").
 
Andere keren maakte hij er een waar spektakel van, een toneelopvoering met verschillende fases, allemaal goed gepland en prachtig afgespeeld, zoals die keer toen ik op de rug van mijn bijna zes jaar oudere broer Frank had gesprongen die met zijn vrienden, verzameld in een kring, op de koer van de school, aan het kletsen waren. Ik had gedacht hem eens goed te verrassen en sprong, zonder dat hij mij opgemerkt had, stevig op zijn rug, mijn benen om zijn lenden slaand en mijn armen om zijn nek. Ik was toen twaalf of dertien jaar oud en had geen enkele benul van seks, van homoseksualiteit, van gelijk of wat voor een type van verhouding, van interesse in het vrouwelijk, laat staan, mannelijk, geslacht, in 't kort, een pure jongen. Een onschuldige jongen die de korte broek tot aan zijn zestiende jaar gedragen heeft, zonder spijt noch wroeging, tot dat Hilde, mijn wreed geïnteresseerde zuster, het mij perse heeft willen uitleggen, alhoewel ik er haar altijd van verdacht heb dat ze in feite ook nog veel twijfels koesterde en ze eigenlijk er meer op uit was zelf eens een piemel, van dichtbij, te bezien. Woorden zoals "hoerepoeper", die iedereen en ikzelf ook, met wat schaamte, gebruikte, zonder juist te weten wat ze betekenden, waren geen bewijs van mijn schuld, maar dat is een ander verhaal...
 
In alle geval, mijn vader had het niet  verstaan en had hij duidelijk een DOODZONDE ontdekt. Genoeg om al zijn haat te laten uitbarsten, zoals de etter van een besmette zweer. Nochtans verloor hij nooit zijn vastberaden autocontrole. Vanwaar hij stond, een twintigtal meter verder, had hij mijn "eigenaardig gedoe" opgemerkt en tezelfdertijd had iedereen in zijn nabijheid gezien waar hij, wit van de opflakkerende woede, stond naar te bliksemen. Ikzelf had nog mijn Frank niet laten vallen en was hardnekkig bezig hem omver (te trachten) te doen kantelen, tot het mij opviel dat het alom heersende gerucht over de gehele koer, in enkele weinige seconden was stil gevallen. Een beetje verrast eerst, maar dan wantrouwig, ook door het gebrek aan grote weerstand vanwege Frank (de schuwsten van ons allemaal, zoals Mama het altijd perfect uitdrukte), die het gevaar al eerder had geroken, deed me mijn hoofd opheffen om te zien wat er juist aan het gebeuren was en eventueel te constateren wat ik precies aan het missen was. De koer had zich in twee delen gesplitst en aan het andere einde van de open geplooide weg ontdekte ik mijn vader, wijdbeens, met zijn beide handen in zijn heupen geplant, uiterst autoritair in mijn richting aan het staren (moest een blik kunnen doden, ik zou allang begraven geweest zijn), zonder één beweging te maken en één enkel woord te uiten. Zelfs een andere, hem vergezellende, schoolmeester deed enkele schreden terug, om hem zeker niet in de weg te staan. Ik gleed automatisch en doodsbleek uitslaande van de te verwachten aframmeling, van de rug van mijn broer af en voelde mijn knieën terstond knikken. Daar ging het weeral...
 
Rechtstreeks vooruit kijkend, met de kin naar voren, hief hij zijn rechterarm op, terwijl hij, met zijn naar boven omgekeerde en wenkende wijsvinger, mij een duidelijk teken gaf hem onmiddellijk te volgen. Waarschijnlijk wilde hij verhinderen gestoord te worden door de één of andere bemiddelende stem en besloot hij mij af te zonderen in de eetzaal, aan het andere einde van de koer, uitgerust met tot aan de grond reikende ruiten, wat het voor iedereen gemakkelijker maakte te zien wat er zich binnenin afspeelde en omgekeerd. We stapten, hij zelfbewust en overheersend en ik, trillend en strompelend van de aangekondigde ellende, achter elkaar, tussen de open geplooide rij mensen door, die zich dan, onmiddellijk achter mijn rug, terug sloot. Iedereen was duidelijk benieuwd te zien wat er nu verder zou gebeuren. Men kon het ritselen van de bladeren van enkele dichtbije bomen duidelijk onderscheiden. Eens binnen gewankeld sloot hij zorgvuldig de glazen deur achter mij dicht, beviel me mijn bril op één van de lege eettafels te leggen, schoof enkele stoelen en een tafel wat opzij om meer plaats vrij te maken, vroeg me wijdbeens wat er precies gebeurd was, herhaalde de vraag op een wat hogere en nog schellere toon (in het Portugees zegt men: quem tem cu apertado peida alto/fino - wie een nauw gat heeft laat dunne/scherpe scheten), want ik wist niet juist wát te antwoorden, drong er op aan dat ik beter en rap mijn handen achter mijn rug moest vouwen, want anders zou het slechter aflopen en verraste hij mij met de eerste zwier, want hij liet normalerwijze ettelijke seconden verlopen tussen de toestanden: "Klaar" en "Vuur". Intussen was het opeens donkerder geworden in de eetzaal vanwege alle toeschouwers die er zich rond- en opstapelden, elk vechtend en duwend om een betere plaats te kunnen veroveren en om zeker niets van het spektakel te missen. Aan de onderkant van de ruiten kon ik tientallen bekende aangezichten onderscheiden van mijn (al of niet) vrienden; aan de bovenkant, met hun zedig gekruiste armen, sommige van de andere schoolmeesters en zelfs één Broeder. Frank zelf was niet te bespeuren.
 
Om een langdurige aframmeling kort te maken zal ik maar zeggen dat ik niet geschreid heb, nee. In compensatie, mijn korte broek was doordrenkt van de urine en onder mijn verlamde voeten vormde zich een grote plas, die zich uitbreidde naargelang ik langer en langer "in voortdurende verwachting" stond te trillen. Het was onmogelijk de verlossende stroom tegen te houden, zelfs niet met al die toekijkende, onverschillig voor mijn situatie, studenten en leraars. Een ondenkbare vernedering en een, voor mij, onverklaarbare straf.
 
Nochtans, als een mens slecht is vanaf zijn geboorte, dan moet hij, de duivel (die uitdrukking doet me nu ook ferm aan mijn moeder herinneren), ‘d er alle dagen uit geslagen worden, was zijn oprechte mening. Af en toe had hij, mijn vader bedoel ik, zelfs wel enigszins een glimp van reden want ik was een onverwoestbare spotter en een onverbeterlijke speelvogel.
 
Hij had me, op nen andere keer betrapt in zijn klas, toen hij, met zijn rug naar de leerlingen toe gekeerd om iets op het zwarte bord te schrijven, zich plotseling had omgedraaid, net op het moment dat ik een voordien nat gemaakte prop papier, met toevallig succes, geworpen had naar het hoofd van een klasgenoot, enkele rijen vóór mij. De klas werd onmiddellijk stop gezet, hij legde het klein stukje krijt opzij, veegde nauwkeurig zijn handen af, iedereen doen grijnzend in afwachting van een fel verdiende ontspanning en ondervragend naar mij kijkend, begon hij: ewel, wat is er gebeurd? Wat ebde nu gedaan, eh manneke? Kom maar ne keer naar voren hier. Zonder het geduld te hebben mij dáár af te wachten, stapte hij resoluut op mij af, pakte hij, me gewillig helpend om rapper de afstand te kunnen overbruggen, bij mijn oor vast en sleurde me met kracht naar voren. Ter plaatse aan gekomen trok hij me de trede (die de schoolmeester scheidt van de rest van de leerzaal) op en probeerde hij me tevergeefs op te heffen tot zelfs mijn teentippen (bijna)te kort schoten. Met toe geperste lippen en opmerkend dat het niet mogelijk zou zijn me helemaal van de grond te tillen besloot hij dan van tactiek te veranderen, waarschijnlijk om de oorwortels te trachten te vermurwen en dan in alle richtingen rond te draaien tot ik begon te vrezen dat hij op 't einde met mijn oor in zijn hand zou staan. Besluitend dat hij zichzelf nodeloos aan het vermoeien was en dat de kramp in zijn vingers hem de greep deed verliezen, besloot hij over te schakelen naar zijn lievelingsmethode. Over zijn knieën. Zonder mijn oor ooit los te hebben gelaten haalde hij een houten regel uit de lade van zijn bureau (die hij altijd graag dichtbij hield, om er niet achter te moeten zoeken), sleepte hij zijn stoel naar het midden van het podium, zette zich, goed in het gezicht van de andere leerlingen, néér, deed een signaal om mijn bril van mijn neus te halen (dat was toen al mijn zestiende bril, allemaal van dikke plastic en zware glazen, zoals die van de onderkant van een wijnfles) en dwong me over zijn schoot heen, met mijn rug naar de klas toegekeerd, neer te buigen, na mijn spijkerbroek met een korte ruk naar beneden getrokken te hebben. Het onmiddellijk gevolg van die verschillende bewegingen was een algemeen gekrijs en gekraai vanwege mijn collega's, die er tot op dat ogenblik geen bliksem van hadden verstaan en verbaasd staarden naar die witte poepe, content dat ze waren dat de les óver was. En áán kwam hij. Het doel was volmaakt getroffen. Een pracht van een platte handslag. De dikke, gouden ringen, die hij altijd preuts gebruikte, hielpen onveranderlijk méé de (nog) blanke maagdelijke wangen te merken, net zoals bij de koeien. Enfin, het slagen hield maar op toen hij het beu werd en zijn eigen hand er net zo rood uitzag als mijn achterwerk, diep roosachtig naar purper uitslaand, maar wel blinkend van de gezondheid. Dan, wat bezorgd dat hij zichzelf lam zou kunnen slaan met dat hand, schakelde hij over naar zijn regel. En dat was andere muziek. Letterlijk en figuurlijk. En de scherpe pijn verhoogde aanzienlijk. Helemaal verdwaasd en totaal uitgeput, maar zonder tranen, zelfs van onderen niet, werd ik, na een vijftal minuten, van zijn knieën, walgend, afgeduwd. Met schaamte scharrelde ik recht en trok mijn broek omhoog. En weg wankelde ik. Terug naar mijn stoel. Met een tot in mijn schoot zinkend, heet, hoofd. Waar ging mijn moraal? Hoelang en hoeveel keren zou ik terug moeten vechten om het respect, de orde en de discipline er terug in te brengen, bij mijn collega's? Wat een tijdverlies. Wat een hel."
 
Dat alles dus, nogmaals, om terug te kunnen keren op wat ik toen nog onmogelijk vond: SCHREIEN om van het lijden af te geraken.
 
En toch heb ik enkele keren, veel jaren later dus, toch wel ne keer of twee geschreid, zodanig zelfs dat de tranen er met tuiten uit rolden. Ongelooflijk genoeg is dat niet gebeurd aan het graf van mijn enige zoon, in Rio De Janeiro nog.
 
De eerste keer, dat ik mij herinner, was echter wel in Rio, maar toen ik naar een keel specialist was gegaan, bekommerd dat ik was met een KROP in mijn keel, toen ik werkelijk moeilijkheden begon te ondervinden om het eten in te slikken. De arts heeft me terstond naar een x-straal onderzoek verzonden waar men heeft vast gesteld dat er zich een niet natuurlijke kronkel in mijn slokdarm bevond, verantwoordelijk voor de, nog altijd, bestaande moeilijkheid.
 
Maar toen, bij die keel specialist dus, heb ik voor het eerst mijn tranen niet kunnen bedwingen. Ze hadden te maken met de psychologische druk die een Duitser, vanuit Sao Paulo, per telefoon, acht keren per dag, op mij uitoefende, in Rio, om vooruitgang te boeken bij de oplossing van een hele reeks "bugs" die een bepaalde recent gelanceerde machine, in het veld, vertoonde en waarvoor ik de verantwoordelijke was, in het gehele land (Gepeto Composer). Hij heeft me dus toen persoonlijk geprobeerd te BREKEN, maar is daar NIET in geslaagd, vind ik, want ik leef nog altijd en hij is al dood, als dat God belieft. Maar, van de andere kant, het geval, uiteindelijk opgelost, heeft mij wel degelijk gekwetst. En het heeft littekens nagelaten, dat is zeker, zoals diene krop.
 
De tweede keer is gebeurd toen ik, vóór een Staatsbediende gezeten, moest uitleggen, na meer dan 35 jaar lang gewerkt en gewroet te hebben, dat mijn pensioen, ONTOEREIKEND was geworden. Dat heeft me dan ook diep gekwetst en ik heb de tranen, terug, niet helemaal kunnen blijven bedwingen.
 
Ik hoop dat ik gespaard zal blijven van een derde, en laatste, keer. 

15:26 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.