16-06-17

mooie kinderen...

 

De meesten komen in het weekend, dochters, zonen en kleinkinderen, 
in hun zondagse kleren. Bezorgdheid en schuldgevoel voeren hen
naar het ouderlijke huis of het tehuis waar hun bejaarde ouders hun
laatste jaren, laatste dagen slijten.
Het is vandaag een weekdag en zonder schuldgevoel zit ik samen met
mijn papa en zijn twee oudste vrienden en drink ik een tas koffie op
het terras van de binnentuin van het flatgebouw waar ze tegenwoordig,
sedert ze alle drie weduwnaar zijn, een klein appartement bewonen,
we zitten in de schaduw van een grote plataan want het is onbehoorlijk
warm voor de tijd van het jaar. De drie stokoude mannen hebben
blijkbaar niet veel hinder van de verzengende hitte, ik wel.
Omdat ze alle drie een aantal jaren geleden hun vrouw verloren,
de een al wat langer geleden dan de andere, leven ze sindsdien alleen
in hun flat, ze zoeken elkaar vaak op en ze nemen deel aan bijna alle
activiteiten waarin ze geïnteresseerd zijn en het moet gezegd,
hun interesseveld is bijzonder ruim.
Georges, is de jongste van het drietal en nadert stilaan de negentig,
hij is een grote kale man met een gladgeschoren gezicht en een
reusachtige snor die eindigt bij zijn mondhoeken, hij doet me altijd
denken aan een legerkolonel uit een prentenboek dat ik eens cadeau
kreeg voor mijn verjaardag tijdens mijn kinderjaren.
In een vorig leven was Georges schooldirecteur van een college voor
jongens, hij had zo zijn eigenaardigheden en sommige ouders konden
daar niet goed mee om maar ze mochten gerust zijn, directeur Georges
behandelde zijn leerlingen als een eerlijke en rechtvaardige
familievader, en het mag dan ook luidop gezegd worden, alle jongens
die indertijd het college hebben doorlopen of doorworsteld, van de
eerste tot de laatste, droegen hun directeur op handen.
Als opgroeiende onhandige puber was ik een beetje bang van Georges,
zijn gezaghebbende postuur en positie imponeerden me.
'
Zo, jonge dame' zei hij dan 'hoe staat het met je studies?' of
'
Zo, jonge dame, al veel jongensharten gebroken?'
I
k wist nooit goed wat ik moest antwoorden op zulke vragen want
mijn schoolinspanningen waren veel minder groot dan hij als
schooldirecteur verwachtte, en mijn succes bij de jongens was geheel
onbeduidend dus gaf ik verlegen een beetje vaagweg antwoord op
zijn lastige vragen.
Nu, vandaag, voel ik me niet langer geïntimideerd door Georges
maar hij begint zoals steeds het gesprekje met:
'Zo, jonge dame, wat ben ik blij om je nog eens te zien!'
En ik geloof hem bijna.
Naast Georges zit Dieudonné, sinds jaren ook een vriend van mijn papa.
Dieudonné is een nog prille negentiger maar ziet er jeugdiger uit.
Ook hij is groot en erg mager, hij is bleek en goed geschoren, met
zilvergrijs haar dat hier en daar nogal dunnetjes is, zijn lichtgrijze,
melancholieke ogen kijken me onderzoekend aan.
Dieudonné is een muzikant, in zijn gloriejaren speelde hij klarinet
in een klein muziekensemble en hij gaf les, met het muziekgezelschap
trad hij op in alle vier de windstreken, in alle steden en gemeenten
van het land en genoot van het applaus en het succes.
Als zestiger kreeg hij ademhalingsmoeilijkheden en moest bijgevolg
de klarinet aan de wilgen hangen, hij treurde niet lang en schreef
zich, nu als leerling, in aan de muziekacademie waar hijzelf les gaf,
hij leerde piano spelen en doet dat nog steeds en met verve.
Hij woont in de flat naast mijn papa en ik hoor hem wel eens spelen
als ik 's winters bij papa op bezoek ben.
Ik ken de vrienden van mijn papa nu al jaren en telkens ik ze terugzie,
wat naar hun mening veel meer mag gebeuren, is de begroeting erg
hartelijk alsof ze oprecht blij zijn om me te zien. Ik geef hen beiden,
net als mijn papa een zoen, Georges noemt mij nog altijd 'jonge dame'
en Dieudonné heeft het over 'mijn jeugdige vriendin' en voor mijn papa
ben ik nog steeds 'kindje'.
Ik geef het toe, ik ben ijdel genoeg om behagen te scheppen in de
gelijktijdige genegenheid van die twee mannen, twee oude charmeurs.
Georges zegt, en dat zegt hij wel vaker, dat ik van langs om meer op
mijn papa lijk, Dieudonné schudt met zijn hoofd, niet dat hij twijfelt
aan de mening van Georges maar hij ziet in mij meer gelijkenissen
met mijn moeder.
Wie ben ik om hen tegen te spreken terwijl ik denk aan één van de vele
uitspraken die mijn moeder in het verleden bezigde, ze kende honderden
van zulke gezegden en wijsheden en maakte er veelvuldig gebruik van.
"'
t Zijn mooie kinderen die op hun ouders lijken" zei mijn moeder vaak
en gelijk had ze.
Ja, ik lijk op mijn vader, papa en ik hebben een gelijkaardige
lichaamsbouw, hoekig en recht, smal in de heupen,
breed in de schouders.
En ja, ik lijk op mijn moeder, onze gezichten zijn geen kopieën maar
lijken erg goed op elkaar, dezelfde bleke dromerige ogen, dat bleke
haar, die gevoelige mond...kortom, ik kan het niet loochenen dat ik
een kind ben van mijn ouders.
En daar ben ik nog elke dag blij om.
Reeds lang voor ik geboren werd, was ik in al in een gouden laken
gewikkeld.
Ik kwam terecht bij twee mensen, een man en een vrouw,
mijn papa en mijn mama, die zielsveel van elkander hielden en
uiteraard ook van mij, in een hoekje van de wereld waar de lucht nog
schoon was, waar geen voedselschaarste heerste, geen medicijnen tekort,
véél gekwalificeerde artsen, waar geen oorlog of epidemieën dreigden,
hygiëne was eerder norm dan uitzondering, de maatschappij was
vriendelijk en de mensen vrij.
Ik ben me terdege bewust van mijn geluk.
Mijn vader heeft mijn moeder niet verlaten toen hij mij kreeg,
mijn moeder heeft me niet afgestaan, ze heeft me in haar armen
gewiegd en gekoesterd, ze heeft voor mij gezongen en ze vertelde
verhaaltjes die ze zelf verzon en prikkelde op die manier mijn
prille fantasie.
Ik ben een gelukzak en dat weet ik.

Ik geniet verder van de lange, lome namiddag, luister naar die
drie kranige oude mannen en laat af en toe mijn gedachten afdwalen
naar mijn overleden moeder die zoveel levenswijsheid in pacht had.
Ja, het zijn mooie kinderen die op hun ouders lijken...



21:15 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.