12-05-17

hij zat op café aan een tafeltje alleen...

 

 

Hij zat op café aan een tafeltje alleen.
Zij zat in dezelfde kroeg, eveneens aan een tafeltje alleen.
Tja, dan weet je het meteen, die twee eenzame zielen blaken zeker
niet van bloeiend huwelijksgeluk.

Het was een toevallige ontmoeting op een late namiddag of een vroege
avond van twee eenzame mensen in een onopvallend café in een natte
straat van een uitgeregende stad.
Ze raakten aan de praat, hun eenzaamheid hadden ze alvast gemeen,
dachten ze, omdat ze niet wisten dat er een oneindige wijde en
uitgestrekte variatie bestaat van eenzaamheden.
Enkele uren later waren ze een koppel.
Ze hadden véél gemeen.
Ze dronken allebei zeer graag en ze vonden dat ze goed naar elkaar
konden luisteren, de walmende sigarettenrook die somtijds gelijktijdig
uit hun mond of hun neus kringelde, vonden ze niet hinderlijk,
in tegendeel, ze vonden die grijze nevel net intiem.

Hij was al jarenlang een excessief drinker, de sporen waren op zijn
gezicht te zien, diepe lijnen door groefden de berusting die er op lag.
Het was een gezicht van lagen, plooien en rimpels.
Hij was nooit een uitbundige drinker, maar lang en traag ging het
proces van aftakeling door. Hij hield van zijn vrouw, van zijn kinderen
en zijn werk maar hij hield nog veel meer van drinken.
Dronken was hij nooit.
Het was een tijdrovende en geldverslindende bezigheid.
Hij hield de schijn op zo lang hij kon, uiteindelijk was er geen schone
schijn meer mogelijk.
En ook geen huwelijk en ook geen gezinsgeluk.

Ook zij was ooit de helft van een veelbelovend jong koppel,
ze had een knappe man en een interessante en uitdagende job tot de
zaak over kop ging en ze hele dagen thuis zat te kniezen omdat de
nieuwe aantrekkelijke banen niet voor het rapen lagen.
Ze begon af en toe een glaasje rode wijn te drinken, om te ontspannen
maakte ze zichzelf wijs, eerst alleen in de vooravond, dan in de late
namiddag, nog later schonk ze zichzelf, van zodra haar man het huis
uit ging, een glas in, het eerste van de dag, het eerste van de eerste fles.
Haar energie en optimisme waren geleidelijk aan overgegaan in de
dagdagelijkse beslommering van drank kopen van het huishoudgeld
zonder dat het haar man opviel en het op tijd laten verdwijnen van
de vele lege flessen.
Het was een heel karwei, ze had er een hele dagtaak aan.
Na twee jaar was er niets meer van haarzelf overgebleven, besefte ze.
Ze had wel geprobeerd om van de drank af te komen maar nooit serieus.
Toen ze uiteindelijk besloot om toch maar eens nuchter te worden en
weer werk te maken van werk zoeken en vinden, verliet haar man haar.
Ze nam het hem niet eens kwalijk en ze ging door met drinken maar
nu niet langer stiekem en ook niet langer alleen thuis.
Om niet helemaal te vereenzamen ging ze nu af en toe op café
al moest ze, als ze heel eerlijk was, voor zichzelf toegeven dat ze alleen
op café ging als haar drankvoorraad thuis op was en de winkels dicht.

Nu woonden ze samen in haar huis dat er verkommerd en verslonsd
bijlag, ze sliepen hun roes uit tot een groot deel van de ellendige dag
voorbij was, aten een kleinigheidje dat ze, hoe kan het anders,
flink door spoelden met enkele glazen goedkope wijn, en maakten
na hun eenvoudige maaltijd elke dag een kort wandelingetje naar
wat ze hun stamcafé noemden.
Ze hadden een sterke voorkeur om altijd aan hetzelfde tafeltje aan
het raam te zitten, ze voelden zich verloren als er andere mensen op
hun uitverkoren plekje zaten, dat wist de uitbater en toen hij dat
eenmaal door had, zorgde hij ervoor dat het geliefkoosde tafeltje
tegen zessen vrij was.

Elke dag vonden ze, naast elkaar gezeten aan hun geliefkoosde tafel,
hun houvast en toeverlaat in de ribbels van hun bierglas.
Hun roes omfloerste hun gedachten, ze vertelden elkaar halve
waarheden en geheimen en alle leugens die ertussen verborgen lagen.
Tijdens weekdagen keerden ze rond middernacht huiswaarts,
ze wilden wel nog wat langer blijven, nog een laatste glas drinken
maar de uitbater was onverbiddelijk, om middernacht sloot hij de
zaak, enkel tijdens het weekend konden ze langer blijven en
dat deden ze dan ook.
Weekdag of zondag, ze waren steevast de laatste klanten die de zaak
verlieten. Eenmaal o
p straat, in de koude buitenlucht, hapten ze
onwennig naar adem, zoveel frisse lucht ineens maakte hen van streek,
ze verlangden ogenblikkelijk naar de gezellige sigarettenrook en
staken er allebei nog eentje op, het laatste van de lange dag.
Zij gaf hem een arm, hij gaf haar een arm en lichtjes onvast op hun
benen, wie hen niet kende kon het haast niet zien,
schuifelden ze voorzichtig huiswaarts.

Gisteravond, het was al ver na middernacht, kwam ik terug van een
concert waar ik erg van genoten had, ik stopte voor het rode
verkeerslicht en moest schandalig lang wachten, ik zat een beetje
ongeduldig rond te gapen in de schaars verlichte straat en toen
zag ik hen, ze verlieten juist het café, ze waren zoals gewoonlijk
de allerlaatste klanten die het pand verlieten, het sluitingsuur was
al lang voorbij, ze stonden dicht bijeen en nadat ze beiden hun
allerlaatste sigaretje hadden opgestoken, hij zorgde voor vuur,
liepen ze met de armen in elkaar gehaakt, met kleine aarzelende
pasjes naar haar woning terug om straks in de armen van Morpheus
te genieten van een droomloze slaap,
en ik vroeg me af:
Wie houdt wie nu vast?
Wie houdt wie nu recht?

 

11:30 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.