23-04-17

Verder over Oude Peetjes en Meetjes

Zoals eerder al eens vermeld, mijn vrouw is een gediplomeerde sociale assistente en alzo zijnde werkt ze, ene namiddag per week, als vrijwilliger in de cafetaria van een instituut dat zich toewijdt aan zieke en oude mensen die nog uitsluitend op palliatieve zorgen mogen rekenen.

Er bestaat geen effectieve controle over wie daar binnenstapt en dus ben ik eens gaan loeren waar ik eventueel, wie weet vroeger dan later, ook mijn laatste dagen zal moeten slijten, terwijl traag een pintje in slurpend en nieuwsgierig mijn voorspelbare toekomst bespiedend.

In de vroege namiddag zijn de oudjes uitgenodigd iets te gaan drinken en eten in de cafetaria aan, door de gemeenschap, gesubsidieerde prijzen en zo kan men hen ontmoeten in een min of meer ontspannen sfeer, waar ze bijna allemaal alleen, zelden in koppels en nog minder vergezeld van trouwe familieleden, dagelijks enkele uurtjes doorbrengen. Weinige keren heb ik traantjes zien rollen, maar meerdere keren krijgen de vertrokken gezichten van verbitterde en verlaten wezens de bovenhand. Soms ook van verbeten woedde. De schrijnende eenzaamheid, blinkend op hun magere kaken, kan men er met pollepels vanaf schrapen. Zowel bij de peekes als bij de meekes. Vijandige blikken overheersen. Een enkele keer kruipen twee oude meetjes bij elkaar om domino te spelen, of iets dergelijks. Bijna iedereen kijkt ook graag de anderen aan, maar nooit rechtstreeks in het aangezicht en wel uit de kanten van hun ogen, om na te gaan wie er in een nog ergere staat verkeert. Wanneer er iemand niet opdaagt wordt er vanuit gegaan dat hij de nacht niet heeft overleefd.

Wat mij vooral opvalt is de algemeen heersende wetenschap dat er geen hoop meer bestaat. Gewoon weg aan het creperen. Men leeft in trance en elk uur telt. Gelachen wordt er niet, tenzij diegene die, eerder grijnzend, wint in het saaie spel, bewust dat ze slimmer is dan haar gezel, tot op het bittere einde. Haar maat lacht dan mee, een beetje vals en zuur. Verliezen is de kost van alle dagen en men wordt daar nooit gewoon aan. Tot op het laatste ogenblik, alles afgerekend, opgeteld en vast gesteld, er niets nemeer overblijft, tenzij wat verpletterde eeuwenoude trots, die meegaat naar het graf.

Eentje zit hardnekkig te hoesten. Met haar fel rood opgeblazen tong tot ver uit haar mond gestoken. Net alsof de tong geklemd zit en niet meer terug kan. Allemaal bewegen ze zich langzaam en onzeker voort: wiegelend, kantelend, struikelend en slepend. Stapje voor stapje. Een eindeloze inspanning.

De jonge verpleegsters en verzorgsters zijn behulpzaam en vriendelijk. Allemaal gezond en wel, met blozende kaken en actief. Ik kan me hen voorstellen in bed. Gereed voor alles. Dichter bij het leven dan bij de dood. Is het voor het geld alleen dat ze daar zijn, of leven ze mee? Ik vermoed dat ze geen tijd vinden om erover na te denken en zich aan iemand te hechten. Alleen de regels naleven, geduld hebben, bereid zijn een inspanning te doen. En altijd in de weer.

Men kan haast raden wie, wát heeft. Maar daar wordt niet over gezeverd. Elk met zijn kruis. Maanden, weken, dagen? Het lijkwagentje wordt heel discreet gebruikt. Waarschijnlijk meestal in de vroege morgen en verborgen achter een blind muurtje.

Niemand moet dat zien.

Wie zal de volgende zijn?

09:38 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.