06-04-17

bij leven en welzijn...

 

Zal ik erover praten of niet?
Zal ik erover schrijven of niet?
Dat vraag ik me wel vaker af.
Ik heb het over mijn ziekte, kanker.
Met een kleine of grote k, dat maakt niets uit.
Waarom twijfel ik om erover te schrijven?
Wel! Ik vergelijk het wel eens met ssssseksssss.
Er is intussen al zóveel en zó vaak over die zaken geschreven
Je kunt geen krant of tijdschrift openslaan of het wemelt van
artikelen over beide onderwerpen?
Moet ik nu ook nog eens?
Ja, ik moet.

Maandag moest ik naar het ziekenhuis maar dat is niets nieuws,
ik ga al jarenlang om de vier weken naar het ziekenhuis.
Maandag zag ik er erg tegenop en ook dat is niet nieuw, ik zie er bijna
altijd tegenop maar toch ga en onderga ik braaf elke behandeling.

Vooraleer de behandeling van start gaat wordt er door een
verpleegkundige gevraagd hoe mijn dagen tijdens de voorbije weken
geweest zijn, goed, minder goed, slecht of zeer slecht, en dan mag of
moet ik een cijfer geven tussen de 1 en 10.
De voorbije weken waren het ronduit waardeloze dagen,
dagen van generlei waarde, nul dagen,
dagen van alleen maar ziek zijn en misselijk…
Ik probeerde onder dat cijfer geven uit te komen want ik wilde
het liefst een dikke nul geven maar dat zei ik natuurlijk niet want
dat lijkt zo ondankbaar tegenover alle mensen die het veel slechter
hebben dan ikzelf.

Er kwam, even later, niet één dokter aan mijn bed.
Er kwamen er drie.
Mijn eigen dokter als eerste.
Ze overliep, samen met de twee anderen, mijn bloeduitslagen,
ze begreep het niet maar ze waren onomwonden bar slecht.
Dat werd door de twee anderen unaniem beaamd.
Haar eerste collega boog zich over me heen,
ik rook zijn kruidige adem en zweetgeur.
Kleed je vanboven een beetje uit.
Ik deed wat me opgedragen werd en knoopte mijn bloes open.
Hij legde een koude stethoscoop eerst tegen mijn rug,
later tegen mijn borst en luisterde aandachtig of deed alsof.
Hoest eens, beval hij op een toon die geen tegenspraak duldde.
Ik hoestte, één keer, twee keer, het kostte me niet de minste moeite.
Minutieus beklopte, betastte en kneedde hij elk plekje van mijn rug.
Het onderzoek nam minstens een half uur in beslag.
Ik werd beklopt en geknepen, hij luisterde naar mijn longen en
keek langdurig in mijn keel
Hij zocht lang naar mijn hartslag, uiteindelijk verzwakte de greep
rond mijn pols en de verbeten trek rond zijn mond loste op in
een wanhopige verzuchting.
Ik verwachtte elk moment dat hij zijn onderzoek zou staken,
mij meewarig aankijken, zijn keel schrapen en zou zeggen:
het spijt me maar we kunnen niets meer voor je doen,
je bevindt je in het laatste stadium van je ziekte,
daar helpt geen enkel medicijn meer tegen.
Neem afscheid van het leven nu het nog kan,
je hebt hoogstens nog enkele weken…
Zou ik mijn verjaardag nog halen, vroeg ik me angstvallig af.
Na een hele tijd hield zijn onderzoek op, met mij vermeed hij
oogcontact maar hij keek mijn eigen arts aan en haalde bijna
onmerkbaar zijn schouders op.
Ik zag het.
Hij wist het ook niet.

De derde arts was nog geen arts, hij was stagiair, hij had aandachtig
toegekeken en geluisterd en veel opgeschreven in een groot notitieboek.
Ook hij begon mij te onderzoeken…
Wat willen ze nu eigenlijk van mij, vroeg ik me af terwijl ik van het
ene gezicht in het andere keek.
Ik weiger om een wandelend, mysterieus medisch geval te zijn.
Stel een serieuze, heldere diagnose en maak me beter,
meer verlang ik niet.
Met zijn drieën stonden ze te talmen rond mijn bed en trokken
een bedenkelijk gezicht.
Uiteindelijk verlieten arts nummer twee
en de stagiair mijn kamer.
Mijn eigen arts bleef.
Ik verzocht haar om zonder omwegen en zonder mitsen en maren
een duidelijk antwoord te geven op mijn eenvoudige vraag.
Zal ik weer beter worden en wanneer zal dat dan zijn?
Ik zou content en dankbaar zijn, mocht ik op die vraag een
helder antwoord krijgen.
Dat kon ze me niet geven.
Ze wou eerst ‘mijn geval’, daar had je het weer, dat gehate woord,
bespreken met haar collega’s in Leuven.

Er zijn in België slecht 40 mensen met dezelfde ziekte als ik en ze
krijgen allemaal een gelijkaardige behandeling,
als vergelijkingsmateriaal is dat erg pover,
de een vaart er wel bij de ander niet en hoe dat komt weet ook
mijn eigen arts niet.

De kanker maakt al héél lang deel uit van mijn leven.
Jaren geleden werd ik van de ene op de andere dag geconfronteerd
met een voor mij totaal onbekende wereld.
Welkom in de wereld van de zieken!
De gewone wereld liet me los en vice versa.
Ik leefde het leven van zieke in de beschermde beslotenheid van een
ziekenhuis waar elke verpleegkundige en elke arts ieder verhaal en
verloop kent, ze leven mee en begrijpen je meteen.
Dat begrip, die aanvaarding vind je niet bij de mensen in de gewone
wereld.
Ziek zijn is voor losers, net zoals falen en twijfelen.
De gewone wereld
is meedogenloos voor iedereen die niet hip en happy is.

Ik heb me lang verzet tegen de vrijheidsberoving en financiële katers,
later volgde een periode van inzicht, ontplooiing en zelfacceptatie,
ik was en ben nog steeds erg naar binnen gericht,
er ontstond een verinnerlijking.
Niemand moet aan mijn uiterlijke kenmerken zien waarmee
ik bezig ben.

Tijdens betere periodes leef ik, weliswaar op mijn eigen manier,
in de gewone wereld maar het waakvlammetje flakkert nog altijd en
het wordt tot op de dag van vandaag regelmatig voorzien van zuurstof.

Kanker is een leerzame levensles zonder romantische tierlantijnen.
Het is een kutziekte!

 

 

12:15 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.