14-02-17

parlez-moi d'amour...

 

Omdat het vandaag Valentijn is, vind ik het gepast om het eens 
over ‘de liefde’ te hebben.

Meestal hoor en lees je over een liefde die voorbij is of over
een liefde die verloren gaat en weinig over een liefde die een leven
lang blijft duren…
zoals bij ons….

Tijdens die dagen, jaren en jaren geleden...
leed ik onder de liefde of het gebrek eraan…
en mijn moeder zag dat natuurlijk want met haar wijze, bleke blauwe,
opmerkzame ogen keek ze dwars door me heen. Ze zag dat ik afzag
en kreunde onder mijn liefdesverdriet en ze wou mij helpen.
Dus zei ze dat ze vond dat het leven te kort was en mijn tranen te
kostbaar om ze te vergieten voor die ene.
Ze zijn allemaal maar…’-----’ en ze liet een lange, veelbetekenende
stilte tussen aanhalingstekens vallen.
Hij is een domkop die niet eens beseft wat hij weggooit,
hij weet niet wat hij mist.
Hij is geen slechterik hoor, zei ze, hij is gewoon een dommerik.
Ze zijn allemaal maar… ‘------‘ zei ze nog eens en ze zuchtte diep en
liet het antwoord onbenoemd in de lucht hangen.
Blijkbaar wist ze er zelf ook geen woorden voor en toch begreep ik haar.
Ze wou mij duidelijk maken dat hij ook maar gewoon een mens was,
een jongen nog, een mens van vlees en bloed zoals alle andere.
Hij was niets bijzonders vond ze, hij was niet echt mooi maar ook
niet lelijk, hij was niet speciaal vriendelijk maar ook niet bijzonder
onvriendelijk, hij lijkt niet erg slim maar ook niet erg dom of sterk,
handig of geduldig… hij was zoals de meeste mannen ook maar
gewoon ‘gewoon’.
Mijn moeder wou mij doen inzien dat het beneden mijn waardigheid
was om te treuren om hem, ze wou mij beletten dat ik er één traan
voor liet. Dat was natuurlijk uit liefde dat ze dat allemaal zei en ik
wist dat ze zelf al veel had meegemaakt, de oorlog en niet kunnen of
mogen studeren omdat meisjes in die tijd dat nog niet deden en zo…  
en dat ze niet zo zwaar tilde aan mijn gebroken hart maar haar
goedbedoelde woorden hadden weinig zin.
Het waren niet die woorden van troost die ik wilde horen.

Nooit heb ik mijn liefdesverdriet onder stoelen of banken gestoken,
nooit heb ik mijn liefdesverdriet als een luxe probleem beschouwd,
integendeel…
het woekerde als een onuitroeibaar onkruid door
mijn volgende dagen, door mijn volgende maanden en jaren,
door mijn verdere leven...

Onze verbintenis duurde vijf lange, gelukzalige maanden…
En het was amper vijf maanden ‘aan’ en in nauwelijks drie woorden
maakte hij het ‘uit’.
Ik was verbijsterd en begon te janken als een baby, dat janken deed
ik natuurlijk niet in zijn bijzijn, daarvoor was ik te trots,
dat deed ik alleen.
Twee weken later had hij mij al ingeruild,
hij had al een andere aan zijn arm.
Zij was blond, klein, dik en dom.
Terwijl ik groot was, ook blond maar niet zó blond, ook slank op het
magere af en slim, dat vond ik toch en mijn moeder ook…
want ze zei vaak tegen mij: dochterlief, wat ben je toch knap!
Hoe kon hij mij inwisselen voor haar?
Het brak mijn hart dwars doormidden.
Nu, zoveel jaren later kan ik haar naam nog altijd niet opschrijven
zonder misselijk te worden, dus doe ik dat niet.

Elke nacht huilde ik mezelf in slaap en gaf me over aan
moordzuchtige fantasieën, ik vermoordde haar eigenhandig met
het grote keukenmes van mijn moeder, ik sloeg met mijn vlakke hand
in dat dikke, blonde gezichtje van haar net zo lang tot mijn woede
en frustratie duurde of ik hield haar kopje onder in het water van het
stedelijke zwembad, net zo lang tot ze levenloos naar de bodem zakte.
Ná haar dood, het was natuurlijk een volmaakte moord zonder
sporen die naar mij verwezen, vroeg hij het weer ‘aan’…
en wat er dan gebeurde weet ik niet want op dat moment viel ik
telkens in een onrustige slaap…

Soms droomde ik dat ik de moed had en het terug ‘aan’ vroeg en hem
honderden vragen stelde waarvan de meeste begonnen met ‘waarom’
en dat hij dan eerst onverschillig zijn schouders ophaalde en wat
later oorverdovend en luid ‘neen’ schreeuwde en me met ogen
die bliksemden van woede opnieuw buiten sloot en de deur toesmeet
want het was allemaal mijn eigen schuld, ik was niet goed genoeg,
niet slim genoeg, niet mooi genoeg, niet geduldig en verdraagzaam
genoeg om mij terug in zijn leven te willen…

Dus deed ik niets, ik was te jong en te bang om iets te doen,
ik stond onwennig in zijn en mijn eigen leven.

Sedert de breuk met mijn grote en enige liefde is mijn lopen begonnen,
ik liep en ik loop nog elke dag, nergens naartoe en overal heen,
helemaal alleen...

Ná jaren van afwisselend verdriet, woede en spijt zwoer ik een dure
belofte aan mezelf, ik zou het nooit meer zo ver laten komen,
niemand zou ik nog toelaten om mijn hart dat toch al in
gruzelementen lag, te breken .
Ik nam mezelf heilig voor om nooit trouwen.
Ik zou een kunstwonder worden…

Een kunstwonder ben ik niet geworden…
En het duurde jaren vooraleer ik mijn moeders woorden begreep.
Ze wou me natuurlijk behoeden voor dwaasheden en dwaasheden
konden er gebeuren, vooral met hem.
Ze wilde me natuurlijk doen inzien dat er geen mens op aarde speciaal
en uniek genoeg is om me tot wanhoop te drijven want ze vond
ze allemaal maar…’-------‘ en dat is waar.
Niemand is het waard dat ik er mezelf voor zal ophangen.

Het is waar dacht ik jaren later, mijn moeder had gelijk,
de meeste mannen zijn maar…’-----‘
op één enkele uitzondering na… zo hier en daar…
op een dag kwam ik dan toch die ene uitzondering tegen…
die ene man is een heel klein beetje specialer dan de rest van de wereld
maar niet eens zo héél erg veel…
die ene bijzondere…
die ene mens op aarde die er voor mij toe doet…
en vandaag, op deze Valentijnsdag denk ik aan hem…

(de andere dagen ook natuurlijk)

 

11:01 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.