14-01-17

bezoek van Adriaan...(1)

 

Op een zomerse dag  in 2016...

Wanneer de bel gaat en ik de voordeur openmaak, zie ik een
onbekende man op de stoep staan, een vreemde man met een
innemende glimlach, hij is rond de zeventig en nog wat, denk ik,
hij heeft donkere ogen en erg diepe rimpels die ik eigenlijk niet
verwacht bij een man van zijn leeftijd, hij heeft erg kort geknipt
licht haar dat nog niet helemaal grijs is, hij is gekleed in een
beige zomerpak dat erg gekreukt is, zijn stropdas heeft hij
losgetrokken van zijn nek alsof hij anders niet goed kan ademhalen,
hij is gezet.
Ik kijk hem vragend aan…
‘Hallo …!’ en hij zegt met een rustige stem mijn bijnaam en pas dan…,
pas ná het horen van zijn zangerige, ietwat lijzige stem,  
pas ná het horen van mijn bijnaam van erg lang geleden,
weet ik het weer.
Mijn hemel, hij is het echt!
‘Adriaan!’ zeg ik blij verrast en ogenblikkelijk denk ik,
verdorie hoe is het mogelijk dat ik hem niet heb herkend en
nog eens verdorie, ik heb hem niet eens opgebeld zoals ik had beloofd
nadat hij mij enkele maanden geleden via de telefoon op de hoogte
bracht van de dood van onze gemeenschappelijke jeugdvriend Robert…

Met een mengeling van blijheid, schuld en spijt zwaai ik de deur
wijd open en nood hem binnen, geef hem een zoen en verwelkom
hem van harte.
Aan de keukentafel gaat hij moeizaam zitten.
Zou hij last hebben van stramme knieën? Straks eens vragen.
Allemachtig! Wat is hij veranderd!
Ik heb hem in geen jaren gezien, ja, af en toe hoor ik hem eens aan
de telefoon maar het is jaren geleden dat ik hem in het echt heb gezien,
het is geleden van de begrafenis van Jan, reken ik snel uit,
die nu al zeven jaar dood is.
Ik zit hem maar aan te staren, ik kan niet ophouden en vraag me af
wanneer en waarom hij er zo anders is gaan uitzien.
Zijn aanwezigheid en het noemen van mijn bijnaam, die ik sedert mijn
puberteit zelden meer hoor, alleen Jan maakte altijd gebruik van
mijn troetelnaam, bijna niemand anders gebruikt die nog,
geven me een warm gevoel van binnen, ik ben dan ook een hopeloze,
sentimentele, oude dwaas.

Aanvankelijk gaat het gesprek wat stroef want wat zeg je tegen
iemand die je jarenlang niet ziet, er vallen lange, ongemakkelijke,
stille tussenpozen alsof we allebei niet goed weten waarmee
we moeten beginnen.
Hij vraagt naar mijn kinderen, ik naar de zijne die nu om en nabij
de vijfenveertig jaar oud zijn… want ja,
Adriaan is er erg vroeg aan begonnen.
Kleinkinderen?
Neen!
Jij?
Ja, ze zijn geweldig. De drie oudste waren net nog hier,
het zijn stadskindertjes die elke zomer één week bij mij op vakantie
komen om te genieten van de gezonde buitenlucht,
het simpele leven op het platteland…
Hij had er ook graag gehad.
Naar mijn echtgenoot vraagt hij niet en al bij al is dat goed,
ik praat er niet graag over.
Ik vraag naar Karen van wie hij nu al hoelang gescheiden is?
Vijfendertig jaar zal het dit jaar worden, zegt hij en hij is al weer
bijna dertig jaar getrouwd met zijn tweede vrouw, Marleen.

Kom, laat ons buiten gaan zitten, stel ik voor en ik sta op en wacht
op Adriaan die traag en ongemakkelijk recht komt.
Mijn hemel, hij ziet er jaren ouder uit, het is eind zomer en hij ziet er
bleek en pafferig uit en heeft wallen onder zijn ogen alsof het al een
eeuwigheid geleden is dat hij nog eens sliep en hij beweegt langzaam
als een oude man en toch hebben we ongeveer dezelfde leeftijd…
Ik maak geen opmerking over hoe hij er tegenwoordig uitziet...

Met een geurige kop koffie en een schaaltje zelfgebakken koekjes
installeer ik ons buiten aan de tuintafel waar ik zo vaak brieven
zit te schrijven naar mijn vriend, de schrijver.
Adriaan laat heel zijn zware lijf zakken in de zetel en hijgt daarbij
alsof hij een snelheidswedstrijd heeft uitgelopen.

Je woont hier mooi maar wel geïsoleerd.
Ja, dat is waar, behalve de boerderij van Pierre hier tegenover staan
er geen andere huizen in de omtrek. Ik woon tussen de velden en
de akkers die zich uitstrekken tot aan het bos…
maar achter het bos ligt er nog een boerderij, en nog verder weg nog één,
daar woont Felix…en dan heb je het huis van Anna…som ik op…
en dan houd ik mijn mond want Adriaan kent die mensen toch niet.
Is het niet eenzaam?
Hmm…Ik ben alleen maar ik voel me niet eenzaam moest je dat
soms denken, ik ben opgegroeid in de stad, dat is waar,
maar ik kan me niet meer voorstellen dat ik in de stad zou wonen,
ik ben er niet langer geschikt voor vrees ik...




17:30 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.