16-12-16

Komme weere, ‘k goa der stoan

Komme weere, ‘k goa der stoan: 'Ploegsteert' is het verhaal van elk van ons.

Ann De Craemer

'Ploegsteert' van Het Zesde Metaal hoorde ik voor het eerst in 2012, in het allerlaatste seizoen van De Laatste Show. Wannes Cappelle had op de sofa van Michiel Devlieger net verteld dat hij alleen maar in het West-Vlaams kan zingen. Omdat dat zijn taal is. De taal waarin hij thuiskomt en waarin zijn ziel het diepst is geworteld.

Ik herkende dat meteen. Als het Nederlands een huis is, dan is mijn West-Vlaamse dialect de gezelligste kamer, waar ik met mijn familie en met de vrienden die ik al het langst ken bij een knetterend haardvuur zit. Als dat klef klinkt, lezer, vergeef me dan. Ik hou van álle varianten van het Nederlands, maar enkel van mijn dialect kan ik sentimenteel worden. West-Vlaams, dat is mijn moeder die tegen mijn tienjarige ik zegt dat de handdoek op de stove ligt te verbloeien. Het is mijn grootmoeder die naar de druppels op het raam wijst en zegt dat het nog altijd rènt. Het is mijn tante die in haar twintiger jaren van Tielt naar Antwerpen is verhuisd maar zestig jaar later nog steeds ne jongkman zegt als ze het over een vrijgezel heeft.

Als het Nederlands een huis is, dan is mijn West-Vlaamse dialect de gezelligste kamer. 

Toen ik Wannes Cappelle voor het eerst in mijn thuistaal 'Ploegsteert' hoorde zingen, gingen alle haartjes op mijn rug rechtstaan. Vier jaar later, gisteren meer bepaald, werd het lied door de luisteraars van Radio 1 tot beste Belgische lied uitgeroepen – en nog steeds krijg ik bij elke herbeluistering kiekevel.

Het is niet alleen het West-Vlaams. Het is ook de tekst zelf. 'Ploegsteert' gaat over de opkomst en ondergang van Frank Vandenbroucke – een renner die ik, wielerfanaat zijnde, destijds zeer heb bewonderd, hoewel ik altijd dacht dat de man niet helemaal zuiver op de graat was, of, zoals het in het lied veel mooier klinkt:

en 't volk zei: ‘d'r es een reukske an
der zit zelfs doping in zijn band'n
'k wist dat ie ha' gepakt.’

Maar op de een of andere manier kneep je bij VDB je neus dicht voor dat reukske. Misschien omdat, zoals Het Zesde Metaal het alweer treffend verwoordt, VDB telkens met ontwapenend veel overtuiging zijn zoveelste comeback in de media aankondigde:

Moa komme weere, ‘k goa der stoan
komme weere, ik goa der stoan
'k goa niet ontgoochel'n, 'k goa der stoan

Op den duur geloofde alleen hijzelf dat nog, en het was op dat moment van opperste emotionele eenzaamheid dat ook de tragiek zijn leven binnensloop. Hij verloor de grip op zijn fiets (zijn tweede ik); daarna op vrouw en kind, en finaal ook op zichzelf. Toen ik op de plek waar ik nu deze tekst schrijf, op net dezelfde stoel achter net dezelfde computer, in 2009 vernam dat VDB eenzaam en alleen gestorven was in een smoezelige hotelkamer in Senegal, waren er niet alleen koude rillingen, maar ook tranen. Want zo’n einde, dat wenste je niemand toe, zeker niet iemand die zo vaak had gezegd dat hij zou en zou en zou terugkomen – altijd maar terugkomen.

'Ploegsteert' gaat over onszelf, want in het leven van elk van ons komt er een moment waarop we vallen, zacht of hard, maar toch geloven we dat we weer zullen opstaan. 

VDB kon iets wat velen niet kunnen, namelijk heel goed fietsen, en hij had meer geld dan de meesten onder ons ooit zullen hebben, maar VDB, dat was ook wij. Wij; u; ikzelf - de mens. Net daarom spreekt 'Ploegsteert' zovelen aan. Het gaat over onszelf, want in het leven van elk van ons komt er een moment waarop we vallen, zacht of hard, maar toch geloven we dat we weer zullen opstaan, omdat de mens zelfs turend naar de zwartste horizon altijd naar dat ene witte vlekje blijft zoeken.

Voor VDB was er op het eind zelfs geen donkergrijs meer in het zwart te ontwaren. De held werd antiheld en stief. Weere kommen was geen optie meer, want hij was door iedereen in de steek gelaten. Maakt dat van 'Ploegsteert' niet nog méér een nummer waarin we onszelf herkennen, omdat we allen de angst hebben niet meer te kunnen opstaan omdat niemand nog in ons gelooft, zelfs onze liefste geliefden niet?

moa zonder vrouw en kind
de colle woar da' j' nog mee tuop' hing
was 't gedaan
de schepper ha' compassie, ge mocht goan

Colle. Dat prachtige West-Vlaamse woord voor lijm. Twee letters meer dan de col van het leven die rasklimmer VDB zonder colle niet meer kon bedwingen.

Ik vind het spijtig dat Bob Dylan gisteren de Nobelprijs Literatuur kreeg voor zijn liedjesteksten, maar dat neemt niet weg dat ik geloof dat een liedtekst evenzeer kan ontroeren als een roman van 400 pagina’s. 'Ploegsteert' is er het perfecte voorbeeld van: het is een Griekse tragedie in negen strofen.

"'t Was voor de koers dat jij die dag in Ploegsteert werd geboren. Lang voordat je haar
kreeg op uw benen had je 't al afgeschoren. Nijdig over 't stuur van uw driewieler
gebogen, je was nog kind: je ving nog niet veel wind.
En voor je 't wist, was je wereldnieuws. De camera's, ze plakten aan uw vel. ''t Lijkt
wel de nieuwe Merckx!'. De ploegen zwaaiden met contracten, 't één al vaster dan het
ander. En in Ploegsteert zei de pastoor: 'Ik wist van niets. Maar God is van onze
parochie en rijdt met de fiets.'
'Ik kom eraan, ik ga er staan, 'k kom eraan, ik ga er staan. 'k Ga niet ontgoochelen,
ik ga er staan, 'k ga niet ontgoochelen.' En 't volk zei: 'Kijk, hier komt de man, 't
talent druipt er in dikke druppels van. We hebben hem hier gemaakt!' Ambitie lijkt
op overmoed, ze zijn rap te verwarren. Een huis buiten proportie en een paar veel te
sjieke karren. 't Was leven op te groot verzet, en het probleem met slechte maten: ze
staan altijd klaar. Aasgieren en sjacheraars.
En hoe het dan is fout gegaan, door wie of wat of waar. Uw enige verklaring:
'Misschien zit ik gewoon zo in mekaar', was weer wereldnieuws. Ze pakten u dan mee
als een bandiet. Je zei: 'Dat ben ik niet.' 'Maar ik kom weer, ik ga er staan, 'k kom
weer, ik ga er staan. 'k Ga niet ontgoochelen, ik ga er staan, 'k ga niet ontgoochelen.'
En 't volk zei: 'Er zit een reukje aan, er zit zelfs doping in zijn banden. 'k Wist
dat hij had gepakt.' De woorden ''k Wil je nooit meer zien', klinken hard in iedere taal. 't Is dooddoen
zonder moorden, 't is zonder advocaat voor 't tribunaal. Dat ze uit de mond kwamen van
de moeder van uw dochter - waar had je 't verdiend? Is 't lot zo nietsontziend? Die
laatste dag met dochterlief, je leerde haar nog fietsen. Haar wiel begon te draaien,
je kon er ondanks alles van genieten. Maar zonder vrouw en kind, de lijm waar je nog
mee samenhing, was 't gedaan. De Schepper had compassie: je mocht gaan. En God zei:
'Kom maar weer, ik ga er staan. Kom maar weer, ik ga er staan. Kom maar weer, ik
ga er staan. Kom maar weer."

08:08 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.