02-12-16

grootvaders...(2)

 

De liefde voor de natuur, voor alles wat groeit en bloeit, 
dat heb ik van mijn andere grootvader, de vader van mijn papa
die ik gewoon pépé noemde.
Mijn verlegenheid heb ik eveneens van hem.
Hij leerde me ook luisteren naar de stilte, hij leerde me kijken naar
de kleine dingen in het leven en daarvan te genieten…

Pépé was een grote, erg magere man met hoekige trekken en een
kaarsrechte rug, de stugge stoppels op zijn wangen prikten wanneer
ik hem een zoen gaf, het leek alsof hij nooit goed geschoren was
en er groeiden rare plukjes haar uit zijn oren.

Hoe klein en jong ik ook was, pépé gaf mij altijd het gevoel écht van
mijn gezelschap te genieten, ik was bijvoorbeeld het enige kleinkind
van zijn toch wel uitgebreid nageslacht, hij had zeventien
kleinkinderen, dat hij in zijn moestuin duldde, voor alle anderen
bleef zijn groentetuin verboden terrein en hoe zachtaardig en
verdraagzaam hij ook was, de toegang bleef voor iedereen versperd,
de poort ging op slot, onherroepelijk, behalve voor mij,
en daar was ik erg trots op, van al zijn kleinkinderen mocht alleen ik
in zijn nabijheid blijven wanneer hij op zijn land werkte,
dus vond ik, terecht, dat ik bevoorrecht was.
Natuurlijk bleef ik altijd netjes op de paadjes, want dat verlangde hij,
terwijl hij bezig was met planten, wieden of schoffelen.
Al mijn vragen, en dat waren er héél wat want ik was een erg
nieuwsgierig kind, beantwoordde hij met kennis van zaken en
met het grootste geduld.
Hij was erg tevreden met mijn weetgierigheid
en over mijn geringe kennis van de flora die met de dag,
dank zij zijn uiteenzettingen groter en groter werd,
hij was trots op mijn liergierigheid.
Hij lachte veel en vaak, om alles wat ik vertelde over mijn eigen kleine
leefwereld. We genoten van elkaars bestaan.

Ik ging erg vaak naar mijn pépé, hij woonde in de buurt en van
zodra ik naar het eerste leerjaar ging, mocht ik zonder begeleiding
naar mijn pépé, dus ging ik nog veel vaker.
Nooit heeft hij mij het gevoel gegeven dat ik een sta in de weg was,
integendeel.
Elke keer ik zijn huis binnenging, keek hij me aan met een blik die
aangaf dat hij verbaasd was om me te zien maar ook blij…, erg blij.

Pépé maakte regelmatig, tenminste, als zijn moestuin er netjes bijlag,
lange wandelingen, wandelingen van soms uren ver,
meestal helemaal alleen.
Natuurlijk kwam er een dag dat ik vroeg of ik met hem mee mocht
want ik hield erg veel van zijn gezelschap en hij van het mijne,
dat dacht ik toch.
Maar het mocht niet.
Hij vond me die eerste keer dat ik het hem vroeg nog veel te klein,
het zou té lastig en té ver voor mij zijn en alhoewel zijn weigering
me teleurstelde, begreep ik het wel want ik was toen werkelijk
nog héél klein.
Toen ik een beetje ouder was, vroeg ik het opnieuw
en mocht ik soms wél met hem mee en dat maakte me blij,
een lange wandeling met mijn pépé was voor mij één groot feest.
Maar af en toe mocht ik niet met hem mee,
omdat hij die dag liever alleen wilde zijn, legde hij uit en
dat argument kon ik met mijn kleine kinderverstand met geen
mogelijkheid begrijpen en andermaal voelde ik me ontgoocheld.
Wanneer mocht ik wél mee en wanneer niet?
Dat wist ik nooit van tevoren.
Ik heb er nooit enig systeem in kunnen vinden.

Op die  lange, plattelands tochten heb ik veel geleerd,
als een uitgehongerd dier slikte ik alles wat pépé me vertelde in
als zoete koek, hij leerde me de namen van de vele veldgewassen
en hoe ik ze kon herkennen en dan somde ik op, dat zijn wortelen en
dat is sla en daar staan kolen…, hij vertelde me hoe groenten,
graan en aardappelen werden gezaaid, geplant of gepoot,
hoe ze groeiden en hoe en wanneer ze werden geoogst.
Ik herinner me nog de geur van de meidoorn in de dreven,
hoe de zon op de velden en de akkers scheen,
de wereld leek wel van goud.

In ieder landelijk kapelletje dat we passeerden, wilde pépé even
naar binnen, natuurlijk ging ik met hem mee en iedere keer
stelde hij voor dat we in stilte zouden bidden voor zijn broer en
zijn kameraden die gesneuveld waren tijdens de oorlog,
de grote oorlog van lang geleden, en voor alle mensen op de wereld
die het slechter getroffen hadden dan wij tweeën want wij waren
gelukkig, wij hadden het goed, en dat deed ik dan,
bidden bedoel ik, een gebed prevelen omdat mijn pépé dat vroeg,
voor mensen die ik niet kende en nooit had gekend…

Ik luisterde op die wandelingen met ingehouden adem naar alles
wat pépé mij vertelde, hele gespreken kan ik mij, tot op de dag van
vandaag, nog woord voor woord herinneren en veel van datgene
dat hij mij toen toevertrouwde, heb ik maar later, veel later begrepen.
Pépé luisterde ook aandachtig naar wat ik hem vertelde,
mijn belevenissen met mijn jonge broertjes, mijn tegenstrijdige
gevoelens over school, het leren vond ik prachtig en dat ging allemaal
gemakkelijk en als vanzelf maar ik hoorde er niet bij en dat vond
ik vreselijk, en ook mijn kinderdromen vertrouwde ik hem toe en dan
antwoordde hij steevast: ‘stop nooit met dromen, kindje,
zorg er alleen voor dat ze je niet betrappen op dagdromen
want daar houden de mensen niet van.’
Ook dat heb ik maar later begrepen.

Ik was ook benieuwd om hem te horen vertellen over zijn heldendaden
tijdens de grote oorlog en tijdens die lange wandelingen vroeg ik er
soms naar.
Maar pépé was bijzonder schaars met informatie over
zijn oorlogsavonturen terwijl ik op zijn minst enkele dappere
heldenverhalen van hem verwachtte.
Ja, mijn pépé was tijdens de oorlog soldaat geweest en daar had hij
zeer gemengde gevoelens over waar hij weinig over sprak,
met niemand, ook niet met mij, zijn lievelingskleinkind..
Maar hij had moedig en onbevreesd gevochten in de loopgraven…,
dat dacht ik toch, daar waren zijn medailles die in die mooie
versierde doosjes op het paarse of rode zachte fluweel lagen,
toch het bewijs van? Ze lagen in de bovenste lade van de buffetkast
in de keuken en bij hele, hoge uitzondering mocht ik die
erepenningen eens bekijken maar ik mocht ze nooit bewonderen
en ook dat begreep ik niet, hij had die zilveren en gouden eretekens
tenslotte van niemand minder dan de koning gekregen,
was hij dan niet ontzettend trots op zichzelf…?
Neen, hij was helemaal niet trots.
Zijn broer was gestorven in de strijd, zoals zovele anderen met hem,
mijn pépé was teruggekeerd, maar een deel van hem was altijd
‘daar’ gebleven.
‘Daar’ dat was aan het front. Begreep ik dat?
Neen, natuurlijk begreep ik dat niet, maar omdat ik zo graag méér
wilde horen, knikte ik van ja.
Zijn zoon, mijn eigen papa heeft hij dezelfde naam gegeven als zijn
overleden broer, als een soort eerbetoon. Begreep ik dat? Weer knikte ik.
Neen, mijn pépé hield niet van de oorlog, hij hield er niet van om
iemand om het leven te brengen daar was hij veel te zachtaardig voor.
Hij had niets tegen die Duitse jongens die uit een of ander Duits
dorpje naar hier kwamen om te vechten...
Ach kindje, zuchtte hij, het was vreselijk, het was de hel,
mijn broer heeft het niet overleefd, ik wel, maar hoe?
Ik ben terug gekeerd, mijn broer niet, maar een deel van mij is
ginder gestorven.
Ik schaam mij voor die rampzalige tijd,
ik zou het willen vergeten en toch ook niet….begreep ik dat?

Natuurlijk begreep ik er toen niets van maar ik knikte overtuigd
van ja om het hem naar de zin te maken want hij gaf mij altijd
het gevoel dat ik zijn gelijke was, dat ik niet voor hem onderdeed,
dat ik even slim was of zelfs slimmer dan hij,
terwijl ik dat allerminst was.
Hij deed altijd alsof hij mijn verlegenheid niet merkte en hij deed
alsof ik gemakkelijk met anderen kon omgaan en
dat was ook niet waar.

Veel méér heeft pépé me niet verteld over zijn jaren aan het front.
Niet aan mij en ook aan niemand anders, de strijd tegen zijn
demonen streed hij eenzaam en alleen.
Pas jaren later, pépé was al lang gestorven en ik was allang geen kind
meer, begreep ik hoe hij geleden heeft onder die oorlog tijdens
zijn jonge jongensjaren, hoe die traumatische ervaring zijn
verdere leven getekend heeft...,
dat denk ik toch.
Zeker weet ik het eigenlijk niet.

Een mens is vaak zonder het zelf te beseffen, zó erfelijk belast.
Dat weet ik nu wél.
Het kan een hele opluchting zijn om daarachter te komen.
Dit heb ik van hem…
en dat heb ik van hem…
Dit heb ik van grootpapa…
en dat heb ik van mijn pépé...

 

 

13:30 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.