19-11-16

Gelijke Kansen

In de firma (ooit met meer dan tweeduizend werknemers en filialen in alle belangrijkste Staten van het land en een kantoor in New York) waar ik, in Brazilië, mijn gehele leven lang gewerkt voor heb, was ik onmiddellijk aangeworven geweest omwille van een andere Vlaamse bediende, een nucleaire ingenieur, die daar een jaar eerder was beland en een uitstekende indruk had nagelaten bij het bestuur.

Het plan was de taal (Portugees, waarvan ik toen nog geen knoop verstond) te leren en voet te krijgen op wat zes maanden later mijn definitief werk zou worden in Rio De Janeiro, waar ze iemand met mijn begaafdheden nodig hadden. Daarvoor hebben ze mij in São Paulo, waar ik oorspronkelijk vanuit België beland was, op voorbereid. Gedurende een tentoonstelling daar, na vier maanden, werd ik voorgesteld aan onze Executieve Directeur waaraan ik later, in Rio, rechtstreeks zou moeten reporteren. Hij was een vriendelijke maar verfijnde mens, vooral trots op zijn familie-oorsprong, terugkerend naar de jaren 1500 toen zijn voorouders in Brazilië belandden vanuit Portugal, bijna onmiddellijk nadat het land ontdekt was geweest door Pedro Álvares Cabral. Verfijnd ook in die zin dat hij mij telkens op de vingers tikte wanneer ik vanuit zijn Amerikaanse Slee, mijn hoofd omdraaide om eenvoudige bruine meiskes in mini-rokjes in de straat ná te gluren, wat hij niet gepast vond in "mijn stand". Toch heb ik daaraan NOOIT kunnen weerstaan.

Enkele jaren later, begon hij mij alsmaar dichter bij hem aan te trekken, nadat hij zich ervan vergewist had dat ik mij niet, zoals iedereen, van het kantoor verwijderde na de normale werkuren en hij mij vroeg hem op zijn kantoor op het bovenste verdiep te gaan vergezellen, waar hij praktisch altijd lange brieven aan het opstellen was en elk woord woog en wikte, terwijl hij zichtbaar genoot van mijn stille aanwezigheid. Ik ben nooit van plan geweest mezelf op te dringen, of 't een of 't ander te trachten te bewijzen, zodanig dat hij zich minder alleen voelde en uiteindelijk over de tijd beschikte om de meest aandacht vragende problemen op te lossen, terwijl niemand hem stoorde, wat gedurende de normale werkuren niet mogelijk was. Ikzelf was toen nog niet efficiënt genoeg om mijn eigen taken gedurende de normale werkuren op te lossen waardoor ik mij verplicht voelde overuren te doen, tot rond de acht/negen uur 's avonds. Dan pleegde ik ook nog de doodzonde om nog meer, achterstallig, werk mee te nemen naar huis en daar voort te blijven ploeteren tot na twee/drie uur 's nachts, wat mijn eerste huwelijk heeft helpen vernietigen.

Maar terugkerend naar deze directeur, Dr. Octavio G. De Faria (Burgerlijke en Elektrische ingenieur met drie natuurlijke kinderen en één geadopteerd), hij vroeg mij steeds op een stoel te gaan zitten vlak naast hem, achter zijn met papier gevuld bureau dus, zodat hij mij af en toe zou kunnen aanraken. Vandaag zou ik dat waarschijnlijk eigenaardig gevonden hebben, maar toen aanvaardde ik dat zonder meer. Hij vond het ook niet vreemd wanneer hij zijn gat aan een kant ophief, in mijn richting dan nog, om een geklemde scheet eruit te kunnen laten ontsnappen, waarvoor hij zich maar ene keer heeft verontschuldigd met de eenvoudige uitleg dat zijn dokter hem verboden had ze op te laten stapelen. Andere keren stapte hij naar zijn private WC waar hij, met de deur wijd open, nogmaals de natuur zijn gang deed gaan en luidruchtig plaste. Het moet wel gezegd dat mijn straal, toen nog, veel heviger klonk dan zijn ietwat zielig gedruppel.

Op een zekere avond draaide hij zich om naar mij en bekende zonder blikken noch blozen dat ik op het eerste gezicht GEEN goede indruk maakte, maar dat echter, naargelang de mensen mij beter leerden kennen, die eerste indruk volledig werd vervangen door een lichte graad van bewondering vanwege mijn simpele en eerlijke manier van doen, zelfs in onderhandelingen die in de miljoenen liepen, zodat ik in bijna alle gevallen niet alleen hun hart, maar vooral hun vertrouwen veroverde, absoluut nodig in het zaken-doen. Hij wijtte daar dus mijn succes aan toe, wanneer ik er in slaagde, praktisch alleen, meer winst samen te scharrelen voor de firma, dan andere gehele afdelingen, tezamen.

Waar ik het nu wil over hebben is juist dat: "iemand die niet de beste indruk nalaat op het eerste contact". En dat is precies waar het gevaar in schuilt. Vele keren krijgt men geen tweede kans en wordt men verslaan vooraleer echt te hebben kunnen beginnen. Soms verwijt ik mezelf dat ik niet genoeg tijd heb gehad om zelfs aan mijn eigen zoon niet te hebben kunnen bewijzen dat ik beter was dan het beeld dat zijn moeder hem, over mij, had voorgespiegeld, alhoewel zij me nu wel beschouwt als één van de weinigen die ze (en waarop ze) kan vertrouwen. Zonder hem te hebben willen betwisten met haar, heb ik hem in haar doen-en-laten, ge(ver?)laten, beseffend nochtans dat zij geen gemakkelijke persoon was. Na zijn meerderjarigheid bekomen te hebben heeft ook hij het hazenpad gekozen, wat zijn eenzaamheid verergerd moet hebben.  

Wat ik bedoel is dat wanneer men geen tweede kans nemeer krijgt, zoals bijvoorbeeld in de liefde, in de vriendschap, in een eventuele nieuwe werkgelegenheid, in een voorstelling of een spreekbeurt, in uw eigen of een nieuwe bank, wanneer de persoonlijke contacten schaars zijn en vooral wanneer van uw eerste beeld voorbarige conclusies worden gemaakt, men het hoofd niet op de schoot mag laten zinken en men gewoon voort moet blijven doen, zoals die boer die bleef ploegen, onafhankelijk van het weer. 

Eruit zien als een lelijke, een domme, een schuwe of verwaarloosde mens sluit meestal verdere en nadere kennismaking uit. Dat betekent dat je soms al in de eerste schuif van de zeefmachine weg getoverd wordt. Vooraleer je het goed beseft, lig je er al uit.

Over de ontvangst in banken bijvoorbeeld: of je hebt een uitgebreide spaarboek of je hebt een overweldigend inkomen. Want WAT je BEZIT is van geen enkel belang. Van belang is meteen te kunnen bewijzen dat je de bank absoluut niet nodig hebt. Vroeger was dat ook al zo, maar nu is dat nog slechter geworden. Vroeger zat de bankmanager aan een groot bureau, enkele trappen hoger dan de omringende vloer, zodanig dat je verplicht werd, vanaf de stoel, omhoog te kijken en hij bijgevolg, naar "beneden". Opzettelijk, natuurlijk. Tegenwoordig en nog altijd moet je, om beter ontvangen te worden, deftig gekleed zijn, net zoals men dat doet wanneer men een stukje van zijn stoelgang moet afleveren voor onderzoek, in een kliniek. Losse, ruime klederen, met "Harley Davidson" erop gedrukt, zonder blazer en plastron, worden verafschuwd.

Toevallig moest ik onlangs een verzoek doen aan een bankafdelingsverantwoordelijke. Niet eens de chef. Vooraleer hij mijn eerste zin helemaal liet uitspreken, verwittigde hij me meteen: vooraleer gij uw tijd verliest en ik ook, wil ik u verwittigen dat uw geval niet in mijn kraam past...

Gewoon opstaan en "dank u wel voor 't éés" mompelen is de enige en beste voorziening die past, want de volgende klant staat al ongeduldig op zijn tenen te trappelen... om ook verwezen te worden.

Ik HAAT banken en het beste antwoord is: terug gaan ploegen!!

11:16 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.