21-10-16

"Retraite" in Groot-Bijhaarden - Koekelberg

Rond de jaren vijftig, in de Broederschool van Roeselare, waar ik toen al beschouwd werd als een spartelende duivel in een wijwatervat, heb ik eens uitzonderlijk mee mogen reizen met andere (bravere) klasmakkers, voor een meditatieperiode in een eeuwenoude abdij in Koekelberg, toen nog oneindig ver weg van de beschaafde wereld en als "retraite" bestempeld (of heb ik dat niet goed verstaan?). Tot heden is het niet in mijn bol doorgedrongen wat ik daar eigenlijk verwacht werd te doen, tenzij te hopen op het middagmaal en later, op het avondeten. Om acht uur gingen de lichten uit en in het stikdonker verkoos ik mijn hoofd onder het laken en de deken te verbergen, vanwege de mogelijk vele spoken die daar waarschijnlijk rond zouden kunnen dwalen, 's nachts, in dat oud kasteel. Menige keren meende ik sluipende voeten en verdachte schaduwen te onderscheiden onder de deur in de gang, waarschijnlijk van de ene of de andere paster die, ik kon erop zweren, eventjes voor mijn deur had gestopt en zich dan herinnerde dat er in de volgende kamer waarschijnlijk beter jachtvlees bestond voor hetzelfde geld. Stipt om zes uur werden we dan luid wakker gebeld en moesten we in één-twee-drie onze bedden opmaken, om recht te hebben op het ontbijt: twee eieren en een worst. "Smakelijk" zei de paster dan nog, grijnslachend, aan de ingang van de refter.

Diezelfde dag nog heb ik een briefje geschreven naar mijn jongste broer (bewaard in mijn brandkist), mijn bewaarengel toen al, hem smekend om op mijn plastieken balletje te passen dat ik thuis had moeten laten liggen, in het onmiddellijk bereik van mijn andere broer die, ik was daar zeker van, gebruik zou maken van mijn afwezigheid om er een gaatje in te prikken.

Vervolgens maakten we kennis met de verantwoordelijke mens die ons zou inleiden in verscheidene, voor ons nieuwe, sacramenten, waaronder en vooral het biechten en het communiëeren, wat overeen kwam met het vlees en het bloed van Jezus Christus rechtstreeks in te slikken, zonder erop te mogen bijten, wat niet gemakkelijk was. Gelukkig mag men er vandaag wel op los-bijten, knauwen en knabbelen, zonder angst om gelukkig te zijn. Ik heb eigenlijk nooit begrepen, weeral niet, waarom wij dat werkelijk moesten doen... God's vlees eten en zijn bloed drinken... waarom... en dan nog in Zijn eigen naam? Hij moet daar geweldig van afgezien hebben, diene arme kerel, vrees ik...

Daar heb ik voor het eerst in mijn leven leren liegen tot de brokken er vanaf vlogen. De pater drong er ongewoon op aan om al mijn zonden in zijn oor te fluisteren, door de gaatjes, in het houten raampje van zijn biechtstoel (vol met opgedroogde eigenaardige plekken), maar aangezien ik mij niet bewust was van eender welke zonde die ik eventueel gepleegd zou kunnen hebben, de dagelijkse niet en nog minder de doodzonden, moest ik er een paar uit mijn duim zuigen om hem tevreden te kunnen stellen. Het beste dat ik mij kon herinneren was dat ik ne keer of drie gevloekt had, wat niet waar was geweest, maar wat de nieuwsgierigheid van de paster gerust stelde. Wat nog?, drong hij er ernstig op aan. Ik treuzelde een ogenblik en toverde dan de volgende zonde uit mijn mouw: dat ik mijn geburen van de straat, Jozef van Steenkiste en Aurel Verduyn uit hun kot had gejaagd om met mij te gaan voetballen op een voetbalpleintje, in het midden van verscheidene akkers, op het einde van de Spanjestraat, gebruik makend van hun eigen echte voetballen, want zelf had ik er nog nooit één gekregen, tenzij dat plastieken balletje eerder vermeld (geschenkje van Tante Georgine) dat mijn jongere broer werkelijk opzettelijk en zoals verwacht, ietwat later, met een naaldje vanuit het naai-doosje van mijn moeder, kapot heeft gestoken, toen ik het opeens, onvrijwillig, uit mijn handen had laten vallen. Jawel zei hij, dat is goed, maar dat is geen zonde hé. Jamaar, vervolgde ik, na het spel heb ik één van de twee ballen (die van Aurel, de zoon van de drukker en die er het "vetst" inzat) voor mezelf gehouden en ik heb toen beklemtoond dat, indien ze hem werkelijk terug zouden willen veroveren, ze maar een klacht zouden moeten indienen bij de politiecommissaris van Rumbeke, die in dezelfde straat woonde (hij heeft me daar nooit iets over gezegd, maar ongelukkig genoeg heb ik, vele jaren later, mijn bewijs van goed gedrag en zeden niet kunnen verkrijgen van de gemeente van Rumbeke. Ik vermoed dat het voorval op mijn fiche is gezet geweest en daar gebleven tot het einde aller tijden). Ja, reageerde hij, DAT is wel degelijk een zonde, maar in dezelfde adem nog v(r)oegde hij er meteen aan toe, langs zijn blinkende neus weg om, of ik somtijds niet aan mijn pissertje snakte. Nee, antwoordde ik hem geruststellend: snakken heb ik nog nooit gedaan, maar ik heb hem wel eens tussen mijn palmen gerold, ja dat wel. Tussen je handen gerold?, vroeg hij me verbaasd. Hoezo, laat me eens zien hoe je dat precies gedaan hebt kereltje, terwijl hij tussen de gaatjes begon te loeren om mijn schoot in zijn gezichtsveld te krijgen. Ik heb mijn piemel echter niet te voorschijn gehaald, want ikzelf had hem afgrijselijk gevonden, vooral toen hij zichzelf begon op te blazen, waarschijnlijk van de woede die hem toen had overmeesterd. Zodus toonde ik hem alleen maar de beweging die ik met beide platte handen, op hem dus, mijn eerst bijna slappe maar met de minuut stijver wordende piemel, had uitgevoerd. Stamelend wees hij mij erop dat dat werkelijk een HEEL ERGE DOODZONDE was en dat ik rechtstreeks naar de hel zou gaan, indien ik hem niet toeliet persoonlijk de vervloeking te verbreken in de sacristie, binnen enkele weinige minuutjes, na zijn lastige en vervelende taak op een drafje vervuld te hebben.

Ik moet zeggen, ik ben gevlucht van een andere en nieuwe, nog onbekende doodzonde, omtrent onkuisheid verdenk ik en ook de gretige handen en gulzige mond van diene kwijlende Paster...

08:29 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.