12-10-16

Móbêjòk, kgónekik nog lange mégoanéé...

Soms denk ik, vermoed ik, wens ik, hoop ik, dat het vanaf vandaag allemaal rap over zal beginnen te gaan. Maar dan besef ik ineens dat het ook nog lang kan blijven duren. En als ik dan, toevallig, dit stukske muziek hoor afspelen op de radio, dan vergeet ik zelfs over wat ik eigenlijk aan het piekeren was:

Het betreft zich namelijk om een hele hoop klanken die afzonderlijk waarschijnlijk geen opmerkelijk resultaat zouden opgeleverd hebben, ware het de licht hese stem van Bob Marley niet. Wat me echter en bovenal aantrekt zijn juist de omringende geluiden, rond zijn stem: de ontsporende gitaar die er zich zomaar, toch nog op de maat, wat tussen wringt; het koor van vrouwenstemmen dat verraderlijk de aandacht opeist; het getokkel hier en daar, net alsof het er niets mee te maken heeft; het matig maar fel bepaald ritme en zelfs de tekst, rijk in verbeelding en gemakkelijk bevredigend, plus ook de fel georkestreerde wanorde heersend over het geheel.

Voor een land waar de Engelse taal niet oorspronkelijk is, zijn de teksten van Bob Marley een zalf voor de oren, die meteen "over"-springen, getuigend dat niet in alle gevallen het gebruik van soft drugs naar de ondergang leidt.

Terwijl ik zo aandachtig zat te luisteren kreeg ik het ineens in mijn bovenste verdiep dat ik beter wat op mijzelf zou moeten beginnen te passen om altijd gereed te zijn, of te liggen, voor de laatste keer, op een plechtig bed uitgestrekt, met mijn handen godsdienstig over mijn borst gekruist. Een deftige, donkerblauwe blazer, een grijze pantalon, zwarte schoenen, een wit hemd met lange mouwen, schaakpatroon-type sokken en een oranjekleurige onderbroek. Over dat laatste echter kreeg ik het gevoel dat de kleur niet perfect zou passen bij de rest en nog minder bij de gelegenheid. Wit? Dat was het hemd al en die kleur deed me bovendien geregeld aan een heilige denken, wat mijn geval nooit geweest is. Grijs, is de broek al. Blauw, de plastron. Rood vond ik te uitdagend. Misschien groen? Te vrolijk. En wat indien ik de onderbroek gewoon oversloeg? Zonder dus. In dat geval zou het aangeraden zijn mijn nog originele schaam-haardos wat bijeen te kammen, of misschien zelfs georganiseerd te snoeien. Proper afgerond en zeker niet te lang, zou een uitstekende indruk nalaten. Wie weet, den enen of den anderen zou de proef van negen willen nagaan en de riem van mijn broek geniepig opheffen om eens van dicht te kunnen loeren?! 

Meteen zette ik mezelf op een kniehoog bankje (voor de eerste keer in mijn leven), in het daglicht, voor het venster, zo dat ik niet in het donkeren-weg zou moeten beginnen te knippen. Voor alle zekerheid trok ik mijn broek plus onderbroek maar volledig en samen uit, ging ik even na of ik niet overdreven veel in het gezicht zat van de buurvrouw daar, op haar balkon, een verdiep hoger, aan de overkant, maar ze bleek niet de minste interesse in mij te hebben, zodanig dat ik mijn knieën opende om overal volstrekte toegang te verkrijgen. Ik merkte al gauw op dat een rechtshandige mens geen grote problemen ondervindt om aan de linkse kant van zijn buik werken uit te voeren, maar niet op dezelfde faciliteit mag rekenen aan de andere kant, waarvoor ik me een beetje heen en weer moest zitten kronkelen op mijn krukje. Dat bleek de vrouw aan de overkant wel opgevallen te zijn geweest want ze draaide haar stoel bruusk een beetje om, zodanig dat ik minder in haar zichtveld zou vertoeven. In dat geval vond ik het niet meer nodig mezelf aan de nieuwe situatie aan te moeten passen en bleef ik maar knippen, hier en daar, zonder echter een geleidend werkpatroon te volgen. Algauw merkte ik op dat er asymmetrische ongelijkheden in het oog sprongen, zo van, hier zijn de plukjes een beetje langer dan daar. En dus bleef ik maar voort doen, tot beide zijden bijna op elkaar begonnen te gelijken en iets weg begonnen te krijgen van een bijna perfect gemaaid gazon. Op dat ogenblik meende ik, uit mijn ooghoek, opgemerkt te hebben dat de vrouw aan de andere kant opgehouden was met het lezen van haar magazine en dat ze haar hoofd doelbewust terug in mijn richting had gedraaid. Ik vermoedde dat ze intussen al had waargenomen dat ik mezelf niet aan het aftrekken was, maar de lange haar-sprietjes onderaan mijn buik aan het bijwerken, wat ze blijkbaar niet erg vond en ze besloot mij een morele steun te geven, net alsof dat volkomen normaal was en dat ze daar geen enkel "haar" in vond. In dat geval achtte ik het aangeraden maar voort te blijven prutsen, ook al en vooral omdat ik bijna tot een finale conclusie was gekomen. Ik bleef me maar kronkelen tot ik aan de verste plaatsjes kon geraken en zij mij knikkend aanmoedigde om nog maar een beetje verder, verder naar beneden, voorover dus, te buigen. Iets typisch voor feministen die rap in de bres springen voor het welzijn en de belangens van de homo's. Maar dat vond ik ferm overdreven. Alleen maar van voren, was meer dan genoeg. Toen ik er een spiegel bijhaalde was het duidelijk dat de haardos aan de linkerkant een beetje korter bleek te zijn dan deze aan de rechterkant. Bijwerken dus maar, weeral. Maar dat veroorzaakte het tegenovergestelde effect. Ik vond het, op den duur, aangepast om de schaar erin te schuiven tot juist boven de huid. Of is dat het "vel", in dit geval? Dat ging rapper en gemakkelijker dan verwacht en aangezien de vrouw ongedeerd bleef meedraaien en kronkelen, maar zelfs niet eens in mijn ogen keek, sneed ik geduldig voort en het deed me verstaan waarom een haarkapper zo lang blijft treuzelen over zo weinig haar. Dat het de eerste keer in mijn leven was dat ik daar de boel aan het opkuisen was, deed me eraan herinneren enkele gevallen haren in een stekdoosje te bewaren, aangezien ze al meer dan een halve eeuw oud waren en rijp dus voor een museum. Het museum van Rudootje zou, vroeger of later, nog geld kunnen opbrengen, oordeelde ik. Toen ik klaar was, na bijna een uur werk, stelde ik verbaasd vast hoe groot mijn orgaan wel uitgevallen was. Nee, het was eigenlijk niet echt stijf geworden, maar ik vond het geheel groter dan in de oorspronkelijke staat, verborgen achter al dat belemmerend haar. Net alsof de piemel werkelijk gegroeid was. Niet alleen dikker, maar ook langer voorkomend, terwijl de klootzak een meer opvallende houding veroverde. Alleen al dat besluit was ook voor hem genoeg om zich positief te manifesteren en er bijna juichend op en neer van te wippen. De vrouw daar, had zich inmiddels recht gezet en besloten ook haar eigen bucht en brol wat op te knappen, zoals ze vroeger wel eens gedaan moet hebben toen ze, na dertig jaar huwelijk, opnieuw een maagdelijk voorkomen wilde veroveren en indruk wilde maken op een jongere gast en die zeker niet zou houden van een grijze pruik in de weg. Ze zat ook met een schaar gereed, tussen haar benen, nadat ze haar rok had op geschoven tot onder haar oksels en haar slipje tot op haar enkels had laten vallen. Ze was rond haar vijftigste, niet bepaald knap en eerder slank dan mollig. Ze bleek over veel meer ervaring te beschikken dan ik, want in enkele weinige minuten was de spleet al duidelijk te ontwaren, zelfs op twintig meter afstand. Het zag er niet naar uit dat ze onlangs nog gebruikt geweest was, want de lippen bleven samen plakken net alsof ze samen verdroogd waren. Samen uit, samen thuis. 

Enfin, ik heb mezelf nog nooit zo flink en zo fris gevonden, zo lekker jong en proper, zodanig dat ik beslist heb mijn zorg daar regelmatig te herhalen, met of zonder "haar" als toeschouwer. Ik heb zelfs, ik zal niet beweren helemaal onbewust, de volgende dagen, de gehele plaats regelmatig bepoteld, een uiterst aangenaam gevoel verwekkend, terwijl me dat terug deed kaatsen naar mijn vijftiende jaar, toen ik hem, in de badkuip en zonder "gebruiksaanwijzing", niet stevig in mijn vuist had vast gepakt, zoals te verwachten was, maar wel integendeel, hem tussen mijn twee platte handpalmen had doen rollen, net alsof ik al, op voorhand, "in mijn handen aan het wrijven was" van wat er daaruit voort zou spruiten.   

Enkele dagen later hebben we elkaar toevallig ontmoet op de straat, terwijl we tezelfdertijd uit onze gebouwen stapten, maar ik heb niet kunnen uitmaken of ze mij herkend heeft. Wel staarde ze geïnteresseerd naar het kruis in mijn broek, zodanig dat ik haar blik volgde om na te gaan of ik mijn broekgleuf wel degelijk had toe geritst....

Weeral ene die alleen maar aan "dat" denkt en niet aan het karakter.

09:06 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.