01-08-16

het prille begin...


Het verleden en mijn vriend, de schrijver wachten vaak op mij in
mijn (dag)dromen.
Dan is mijn vriend, de schrijver weer jong en knap en energiek en
ik ben dan natuurlijk mijn jongere zelf, een meisje nog, speels,
vol enthousiasme, energie, leven en jeugdige onwetendheid over
wat er in de wereld te koop is.

Ik was toen groot en nogal mager en klunzig…
en leed daar in stilte onder.
In die tijd had ik één vriendin, zij was klein, rond en mollig,
ze had heupen en borsten en volle, vochtige lippen,
ze had donkerbruin haar en donkerbruine ogen met wonderlijke
goudkleurige spikkeltjes erin.
Jongens waren gek op haar…
We waren al achttien-negentien jaar en zij zag eruit als een
echte vrouw, ik zag er nog steeds uit als een kind,
hooguit als een meisje.
Ik voelde me vaak niet meer dan een meisje van dertien,
het braafste meisje van de klas.
Ik wou op haar lijken, mijn haar donkerder verven,
mijn lippen opvullen, mijn borsten vooruitsteken,
wiegen met mijn heupen…
Maar ik had nog bijna geen borstjes en hoe potsierlijk was het
om te willen wiegen met mijn smalle, jongensachtige heupen?
Mijn slechte ogen, waarvoor ik een grote bril met hoornen montuur
droeg, zakte geregeld van mijn neus en dus moest ik die van tijd
tot tijd terugduwen, waren ook allesbehalve een troef…
Helaas…ik zou nooit op haar lijken, dat wist ik ook wel.

Als we uitgingen, we vertrokken altijd van bij haar thuis want
haar vader reed ons met de wagen overal naartoe,
zag zij er altijd tiptop uit, modieus gekleed, geschminkt,
donkerrode geverfde lippen, aan haar kleine voeten elegante
schoenen met een hakje…
Meestal maakte zij zich klaar terwijl ik wachtte en terwijl ik keek,
zag ik hoe ze zich voor de spiegel optutte en haar make-up,
waar ze een heel assortiment van had, opbracht.
Ik had geen make-up, dat wou mijn moeder niet en
ik wou ook niets van mijn vriendin gebruiken.
Ik was op mijn eigen manier mooi.

Ik hield niet van feestjes, nu nog niet en dat komt doordat
er geen structuur inzit…
Tegen wie moet ik iets zeggen en tegen wie niet?
Wat moet ik zeggen en wat niet?
Moet ik gaan zitten of blijf ik beter staan?
En waar moet ik dan gaan zitten of staan?
Al zulke zaken heb ik nooit goed geweten en dat maakte mij onzeker.
Was mijn vriendin er niet geweest ik zou nergens naartoe zijn
gegaan maar mijn vriendin was er wél en zij was gek op feesten
dus ging ik met haar mee en stond vanop afstand alles en
iedereen te bekijken…

En op een dag…of beter gezegd, op een avond,
want die fuiven waren natuurlijk ’s avonds en niet tijdens de dag,
keek ik recht in de wonderlijke, vurige ogen van mijn vriend,
de latere schrijver…
die ogen, die raakten me meteen,
ik vond ze boeiend alsof ze alles konden zien…
het waren ogen die dwars door me heen keken, dat kon ik zelfs door
die bril heen zien want ja, ook hij droeg een bril…
Zo is het begonnen…


13:20 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.