08-03-16

Wet van Newton: waar er zich een lichaam bevindt, kan er geen enkel ander lichaam bestaan

Ik had het daarover al eens gehad met mijn lief en teder nichtje Annie, intussen al overleden.

We hadden samen de zaterdagavond doorgebracht in verscheidene "Dancings" in de omstreken van Gent, gebruik makend van de prachtige auto die aan ons, door haar vader (mijn lievelingsnonkel Marcel), vrijwillig en blijkbaar met hartstochtelijke toestemming, afgestaan was geweest. We gingen samen geregeld uit en ik voelde zelfs duidelijk dat er meerdere mensen, ingesloten haar ouders, er stellig op rekenden dat er ietwat meer zou voortvloeien uit deze (bijna) intieme verhouding. Toen voelde ik echter niets verroeren in mijn onderbroek terwijl we samen, dansend, lachend en plagend, onze vrije tijd doorbrachten. In feite vond ik haar wat te traag, van geest en van gedrag, om mij voor haar waarlijk te kunnen doen interesseren (haar prachtige borsten, uitgezonderd).

Op die avond, huiswaarts kerend (dicht bij de drieën al), nodigde ze mij uit nog een boterham met kaas te verorberen aan de keukentafel. Opeens draaide ze zich om en vroeg ze mij, weliswaar beschaamd, waarom ik zoveel aandacht schonk aan wat de mensen over ons roddelden. Ik vond niet dat ik daarvoor vatbaar was (laster en achterklap, bedoel ik, alhoewel ik diene smeerlap van Roeselare wel een veeg om zijn ezelsoren zou kunnen geven) en liet dat haar zo meteen en duidelijk weten. Ze bleef blozen en ik vond dat ik haar wat moest opkoteren, vooraleer ze ging slapen. Zonder haar te willen kwetsen vroeg ik haar of ze van een minderwaardigheidscomplex last had. Ze bekende dat ze zich werkelijk alleen maar met mij rustig en op haar gemak voelde. Het was op dat ogenblik dat ik haar waarschuwde dat waar zij zat, geen ENKELE andere mens kon plaats nemen. Zelfs moest ze van haar stoel afgestoten worden, dan nog kon niemand de plaats innemen waar haar lichaam zich vervolgens zou bevinden.

En dat is het waar ik het vandaag wil over hebben.

Een paar weken geleden, op een zondagnamiddag, had ik mijn dochter en vrouw meegenomen naar een speelpark, waar er toevallig ook een schaaktornooi aan de gang was. Sedert ik op pensioen ben speel ik praktisch alle dagen drie of vier keren schaak op de computer (Titans) en ik ben er alsmaar beter aan in het worden. Daarom interesseerde ik mij in een van de tafeltjes en ging schuin achter de rug van een deelnemer staan om het spel van dichtbij te kunnen volgen.

Zoals het past en voorspelbaar is in zo'n geval wilde een andere toeschouwer ineens precies op mijn plaats gaan staan en schuifelde hij zich langzaam tussen mij en de rug van die schaker. Niet met mij gerekend, natuurlijk. Ik week geen millimeter af van mijn vooraf ingenomen plaats en stak mijn onderbuik meteen vooruit. Hij voelde blijkbaar ogenblikkelijk dat er een lastige piemel in zijn gat zou beginnen te koteren, durfde hij aandringen. En hij zag er daarom, schuchter naar beneden loerend, vanaf.

Verleden zondag gebeurde er iets eenders. Ik was alleen op stap geweest op de zeedijk en zocht praktisch onmiddellijk een lommer op. Onder een oude boom vond ik een leeg en lekker plekje, op een lange bank waar er twee mannen luidruchtig aan het dammen waren. Tussen de naar mij toegedraaide rug van een ervan en mijn dij was er nog amper tien centimeter beschikbaar.

Een oude pee, kwam juist voor mij staan, ook van plan het spel te volgen. Het duurde niet lang vooraleer hij besloot dat hij krampen in zijn benen begon te krijgen en zich op het tipje van die tien vrije centimeters te zetten. Vanzelfsprekend kwam mijn dij onmiddellijk in rechtstreeks contact met een klein deel van zijn slap gat. Ik ben waarlijk geen echte wielrenner maar ik oefen nog steeds dagelijks en er bestaat geen plaats in mijn benen voor "vet". Nogmaals en voor de zoveelste keer wilde iemand zijn waar ik al was. Niet met mij gerekend, weeral. We hebben een strijd van vijftien minuten geleverd. Ik rustig in dezelfde positie vertoevend, zonder een vierkante millimeter vrij te geven en met mijn stinkende adem in zijn nek en hij, met zijn slap gat, trachtend meer dan die tien centimeters te veroveren. Waarschijnlijk heeft hij later vast gesteld fat hij beter recht had blijven staan, want het werd hem wreed ongemakkelijk.

Toen hij opeens aangesproken werd met de titel KOLONEL, vanwege een van de damspelers, werd het mij duidelijk dat hij die plaats daar al jaren geleden had GEKOCHT en dat hij mij beschouwde als een indringer. Hij mag wel een kolonel op pensioen zijn, maar ik ben ook op pensioen en heb vooralsnog geen slap gat.

Weet je wie het uiteindelijk heeft afgetrapt??

14:33 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.