26-02-16

mijn dorp...de wereld...(deel 1)

 

Het dorp waar ik woon is gauw bekeken.
Één grote weg loopt dwars door mijn dorp en verbindt het vorige
dorp met het volgende, een eerder bescheiden kerk,
omgeven door een klein, doch zeer verzorgd kerkhof helaas niet
uitgerust met een uitnodigend bankje om een of andere vermoeide
bezoeker wat rust te gunnen, domineert het dorpsplein,
drie cafeetjes waarvan er één bijna nooit open is,
laven de dorstige dorpelingen ná de elfurenmis
op zondagmorgen, op andere momenten is er weinig verloop en
vertier niettegenstaande de uitnodigende buitenterrassen,
uitgerust met gezellig tuinmeubilair en omzoomd met grote
bloembakken vol kleurige en geurige bloemen in de zomer
is het er nooit overbevolkt.

Aan weerskanten van de grote weg die het dorp dus in tweeën
verdeelt,
beginnen een aantal zijwegen die doodlopen op
de velden of de akkers, op het einde van de laatste doodlopende
zijstraat omzoomd door oude bomen, in de zomer vormen
de kruinen van die bomen een hoog baldakijn,
bijna als een kathedraal, staat een langgerekte boerderij
daar woont een landbouwer op rust, een klein kapelletje
leunt vermoeid tegen de laatste schuurmuur,
de weinige gelovige dorpelingen,
allemaal hoog bejaarde mensen, komen er enkel en alleen
devoot, godvrezend en bezield bidden in de maand mei,
mei is hier nog altijd de Mariamaand, vandaar…,
er recht tegenover staat een groot statig huis,
daar woon ik met mijn twee poezen en daarachter
begint het bos.

Sedert ik hier woon ga ik elke dag wandelen in de wijde
omgeving, héél alleen trotseer ik weer en wind, zon,
regenvlagen en waterplassen, geen hond gaat met me mee
en op bondgenootschap van mijn twee poezen moet ik niet
rekenen, zij gaan nooit met me mee,
tijdens de gure winterdagen willen ze alleen maar van
mijn gezelschap genieten in de veilige beslotenheid,
dicht bij de warme kachel, van mijn gezellige,
ruime keuken.

Vorige maand, een doodgewone dag in januari,
deed ik dus zoals alle andere dagen van het jaar,
mijn dagdagelijkse wandeling,
ik trek er altijd op uit rond het middaguur,
dan zitten de weinige mensen die langs de binnenpaadjes
wonen aan hun middagmaal,
en dat is goed want ik wil liefst geen mens zien,
ik genoot op die winterse dag van de koude, snijdende wind
die mijn wangen deed tintelen, in de laatste bocht van de weg
zag ik reeds het kleine, lage in rode baksteen opgetrokken huis
van Anna, het felle winterse zonlicht weerkaatste in het venster
van de dakkapel.
Anna, de bewoonster, ken ik, ze is een flinke, fiere vrouw,
ze is één of tweeëntachtig jaar oud, dat weet ik niet juist en
sedert ze weduwe is woont ze hier helemaal alleen.
In de zomer zie ik haar weleens terwijl ze in haar nette voortuintje
onkruid wiedt of bloemen plant en dan houd ik even halt en maak
een praatje met haar, iets wat de oude vrouw altijd bijzonder
op prijs stelt.
Soms biedt ze me aan om samen een tas koffie te drinken
en vraagt ze me mee naar binnen maar dat moet ik helaas
weigeren want ik ga niet binnen in vreemde huizen want
daar heb ik een hekel aan.
Dus weiger ik keer op keer, vastberaden maar beleefd.

18:10 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.