05-09-15

herinneringen aan een heel bijzondere dag uit mijn verleden... 'naar zee...'

 

 

 

Naar zee!

Ik ga naar zee!

Met hem!!

 

Vandaag gaan wij naar Oostende, dat heeft rudo zo beslist,

het is een stad die hij goed kent want hij studeert er.

Hij is bijzonder goed gezind, dus ben ik het ook.

We hoeven niet met de trein want we mogen, buiten alle

verwachting, over de auto van zijn moeder beschikken,

het is een kleine, witte Triumph die zijn hele familie gewoonlijk

gebruikt, zijn jongste broer uitgezonderd en dat de hele dag lang.

Zelfs de benzinetank is gevuld daar heeft zijn oudste

broer voor gezorgd en we krijgen er meteen, gratis en voor niets

en naar mijn inzien totaal overbodig, nog een hele hoop goede raad

en advies bij maar dan merk ik hoe rudo, tijdens die lange

opsomming van wat we wel en niet mogen, langzaam maar zeker

ongeduldig wordt en afwacht tot hij de sleutels in

zijn handen krijgt … Uiteindelijk houdt de gestage stroom

raadgevingen op en krijgt hij de begeerde autosleutels.

 

Tintelend van verlangen kunnen we eindelijk vertrekken.

Als een rechtmatige eigenaar opent rudo de deuren van de auto

en gooit nonchalant zijn modieuze witte jasje op de achterbank,

mijn jeugdige blauwe anorak met capuchon, het laatste overblijfsel

van mijn schooluniform, zwier ik ook achteraan waar het in al

zijn eenvoud naast het hippe exemplaar neervalt.

Rudo is veel mode bewuster dan ik die nog niet zo lang geleden

de middelbare schoolbanken ontgroeid ben, daar ben ik mij

van bewust maar dat kan mij niets schelen.

 

Een hele dag voor ons alleen brengt ons, uitgelaten als kleine

kinderen op de vooravond van kerstmis, in een broeierige

feeststemming, nochtans is het vandaag een grijze, grauwe dag,

het miezert onophoudelijk en de mist plakt aan de voorruit van

de auto maar dat kan ons plezier niet bederven want binnenin

de kleine wagen van zijn moeder schijnt de zon en is het

behaaglijk warm en gemoedelijk.

We schuiven dicht bijeen, onze ellebogen tikken tegen elkaar

en ik kijk hem zijdelings aan, hij lacht naar mij en ik voel een

overweldigend verlangen om zijn huid aan te raken die zo dicht

bij mijn eigen gezicht gloeit. Dan kijkt hij terug naar de weg

voor ons die door alle motregen als een lang zilveren lint ligt

te glinsteren.

‘Wil jij eens rijden’ vraagt hij na een tijd, hoewel hij weet dat ik

nog niet rijden kan maar zelfs zonder rijbewijs wil ik het wel eens

proberen, hij remt, de wagen mindert vaart en komt tot stilstand,

we stappen niet uit om van plaats te wisselen maar we wrikken

en wroeten over elkaars billen heen om te kunnen ruilen,

ik word zowaar verlegen door deze zeer intieme en lichamelijke

oefening maar uiteindelijk zit ik nogal opgewonden als een

leergierige en bereidwillige leerlinge achter het stuur.

Door het slechte weer is het erg rustig op de weg maar zelfs met

al rudo’s nauwkeurige aanwijzingen en ver doorgedreven uitleg

breng ik er niet veel van terecht, ik blijf maar in zijn fonkelende

ogen kijken in plaats van oplettend naar de weg voor mij en luister

maar half naar een hele reeks vreemde, onbekende woorden

die ik blijkbaar moet weten omdat autorijden nu eenmaal

geen akkefietje is maar een ernstige en moeilijke zaak.

Om ongelukken te vermijden, manoeuvreren we enkele kilometers

verder nog maar eens over elkaars schoot heen en wisselen we

weer van plaats. Dan rijdt hij rustig verder, met één hand aan

het stuur en zijn andere op mijn dij, het hele eind naar zee.

We praten en vertellen, lachen en ginnegappen over van alles

en nog wat maar over niets in het bijzonder.

 

Na een prettige en voorspoedige rit komt Oostende in zicht.

Er staan weinig andere wagens dan de onze op de parkeerplaats

en de pier is zo goed als verlaten, wij hebben alle ruimte voor

ons alleen. Natuurlijk willen we eerst de zee zien dus gaan we,

ondanks de motregen, wandelen.

De zee, het zand en de lucht, welke kant we ook opkijken,

hebben alle schakeringen van grijs.

We lopen hand in hand langs de vloedlijn, ik zuig mijn longen

vol, de wind speelt met mijn capuchon, rudo zegt iets grappigs

want ik zie hoe een lachje rond zijn lippen plooit maar ik

versta hem niet, ik hoor alleen het suizen van de wind in mijn oren.

Af en toe staan we even stil, houden elkaar in een stevige

omhelzing en zoenen we elkaar vol overgave met alleen het

geraas van de golven als getuigen.

Ik voel me gelukkig, beter kan mijn leven volgens mij niet worden.

In mijn hart geef ik het toe, ik ben verliefd op deze wel heel

uitzonderlijke jongen…

en ik denk dat ik rudo nu toch al een héél klein beetje ken,

maar is dat ook waar, is dat zo?

Nieuwe gedachten en dromen komen in mijn hoofd aanwaaien

met de wind…

Een tijdlang loop ik verzonken in mijn eigen denkwereld maar

dan trekt rudo me weer met mijn beide voeten op het strand,

hij wil terug, vraagt of ik moe ben want we wandelen al langer

dan anderhalf uur, zijn een heel eind van de pier en de

parking vandaan.

Hij heeft er honger van gekregen en ook dorst.

Ik niet! Ik heb honger noch dorst, ben niet moe en heb het ook

niet koud.

Ik wil dat de tijd blijft stilstaan, dat tijd ophoudt te bestaan…

Toch maken we rechtsomkeer…

Met de wind in de rug zijn we, voor mijn doen, veel te snel terug

in de bewoonde wereld, in de natte straten van de stad slenteren

enkele mensen gehuld in lange, vormloze regenjassen schijnbaar

verveeld en doelloos van winkelraam naar winkelraam.

Wij gaan een cafeetje binnen dat rudo lijkt te kennen en ik zie

onmiddellijk hoe hij in de ban is van het lawaai, de lelijke,

zwakke verlichting, de zoete, weeïge geur van ranzig gemorst

bier op de plakkerige vloer en de lucht van goedkoop parfum.

Alle andere aanwezigen zijn veel ouder dan ik en met

mijn frisse kinderachtige voorkomen lijkt het wel alsof ik

van een andere planeet kom.

Ik heb een meisjesachtig bloesje aan, mijn haar is niet

platinablond gekleurd zoals dat van enkele jonge, wufte vrouwen

aan de bar en ik draag geen oorringen noch andere sierraden…

Onwennig voel ik me, lomp en links en ik voel dat ik hier

helemaal niet hoor.

Rudo trekt het zich niet aan en begint mij algauw te plagen,

maakt enkele flauwe grappen en dubbelzinnige opmerkingen

waarvan de betekenis mij ontgaat, ik weet niet of hij mij uitlacht

of bewondert dus produceer ik een schaapachtig lachje als van

een idioot.

Ik slaak een zucht.

Wat is het moeilijk om op hem verliefd te zijn, denk ik nog...

 

Maar dan, ik weet niet eens meer hoe het komt,
is hij plots doodernstig en begint hij te vertellen over vroeger,
hoe het was jaren geleden, zijn stem wordt heser als hij het heeft
over alle slagen, afranselingen en vernederingen die hij kreeg
van zijn vader, eerst als kind en later als jonge jongen,
over de hardvochtigheid en meedogenloosheid van een man
die zich door zijn kinderen ‘papa’ liet noemen,
monotoon beschrijft rudo alle keren dat hij door die vader
zelfs op school zwaar en zonder reden werd gestraft en te kijk
gezet tegenover alle andere kinderen, hoe hij verweten werd
voor dommerik en niet deugd, hoe hij jarenlang gekrenkt en
beschadigd werd door een vader die hij nooit van zijn leven
nog vader wil noemen.
Ademloos luister ik naar zijn verhaal…mijn mond valt open ….

ik ben sprakeloos…mijn hart bonst van verstikte woede.

Het relaas vind ik zó heftig, zó treurig, een vader zó onwaardig…

Terwijl rudo verder praat ziet hij er zo kwetsbaar uit maar

ook strijdlustig.

Midden in zijn monoloog, het komt niet in mij op om één vraag

te stellen of om zijn woorden in twijfel te trekken,

strek ik mijn hand naar hem uit en streel zijn wang,

alle leed en onrecht hem ooit aangedaan wil ik liefdevol

van zijn gezicht wegvegen, maar mijn gebaar is zó onhandig,

zó armoedig en verre van toereikend…

dat weet ik allemaal wel en ik voel me hulpeloos.

Hij lijkt mij een tamelijk gecompliceerde jongen en net daardoor

zie ik hem nog liever…

 

Later, het is nog avond maar al bijna helemaal donker,

zitten we weer in de auto, op weg naar huis deze keer,

we zitten dicht bijeen maar ook mijlenver van elkaar.

Net als enkele uren geleden liggen onze jassen op de achterbank,

ze zien er, zelfs in de halve duisternis, net als rudo, net als ik,

gekreukt en gekrenkt uit.

‘Wat ben je stil…’ zegt hij na een poos want ik praat niet meer,

wat kan ik nog zeggen, wat zijn mijn woorden waard na een

verhaal als dat van hem?

‘Trek het je niet aan, want dat doe ik ook niet…’ voegt hij er nog

aan toe en voor het eerst in al de maanden dat ik hem ken,

twijfel ik aan zijn woorden.

Ik geloof hem niet.

Want als je opgevoed wordt door een vader die je bijna dagelijks

slaat, een vader die totaal niet gelooft in je capaciteiten,

als je een vader hebt waar je niet naar kunt opkijken,

een vader die geen respect afdwingt…

neen, dan is hij geen goed voorbeeld, dan heb je als kind

geen zekerheid en geen houvast. 

Rudo is, dat kan niet anders, een beschadigde jongen.

Ik voel me onzeker en verward, en ik ben bang,

zijn verhaal maakt alles anders.

Iets in mij zegt dat ik niet te dicht bij hem mag komen

alsof ik weet dat ik vroeg of laat zal afgewezen worden en

dat wil ik niet. Ik kan me maar beter niet teveel aan hem hechten

en toch wil ik voor hem méér zijn dan zomaar een of ander

aardig meisje, ik wil hét meisje zijn, zijn meisje, ik wil hem

begrijpen en steunen…en ik wil méér dan zijn zoenen…

Naast zijn verwarrende liefkozingen wil ik ook zijn sympathie,

zijn begrip, zijn vertrouwen, zijn steun en ja…

ook zijn liefde...

 

 

16:15 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.