17-01-15

na het concert...

Na het concert, dat mij buitengewoon bevalt en het is deze keer niet eens zó klassiek, een select groepje muzikanten speelt op een virtuoze en inspirerende manier tango’s, ze beginnen met het gevoelige nummer ‘Adiós Nonino’ van de Argentijn Ástor Piazzolla, mijn ogen lopen over, en ik kan moeilijk stil blijven zitten bij het opzwepende ritme wanneer ze eindigen met de ‘Taquito Militar’ van Mariano Mores, ik denk dat ook rudo, was hij vanavond met me mee gekomen, zou genoten hebben van de meeslepende, passionele en melancholische klanken van de bandoneon maar helaas, hij is er niet, zit ik dus, nog even nagenietend in mijn luchtbel, alleen in een klein gezelschap want ik ben net als alle andere muziekliefhebbers uitgenodigd voor de nieuwjaarsreceptie en voel me weinig op mijn gemak want ik ken niemand en zij kennen mij ook niet. Een echt gesprek is er niet, er gaat wat smalltalk weg en weer en ik ben daar, eerlijk gezegd, helemaal niet goed in en voel me behoorlijk belachelijk. Ik neem een glas witte wijn en ben juist aan het bedenken hoe ik met goed fatsoen vroegtijdig kan vertrekken als iemand plots iets over vreemde dierenbelevenissen vertelt, enthousiast knik ik want daar weet ik wel het een en ander over en geestdriftig begin ik aan een verhaal… 

Hoe ik vorige winter een avondwandeling op mijn eentje maak tussen de velden en de kale akkers op de boerenbuiten waar ik woon, het is een windstille, koude avond en volle maan, de grond is bikkelhard, het bevroren gras kraakt onder mijn voeten en mijn adem maakt wolkjes. Aan de paardenweide aan het eind van het pad blijf ik zoals gewoonlijk even staan in de hoop dat er een paard naar me toe zal komen voor een hartelijk klopje op zijn of haar hoofd maar er komt er geen een naar buiten met deze vrieskou en gelijk hebben ze, maar plots zie ik een klein gevlekt poesje van tussen de houtstapel die tegen de paardenstal opgestapeld ligt op mij afkomen, bij mijn voeten blijft het staan, geeft me enkele kopjes tegen mijn laarzen, kijkt me een beetje beduusd en bedremmeld aan en begint dan klagelijk te miauwen. Ik ben meer dan verwonderd en verbaasd om, in deze tijd van het jaar, hartje winter nota bene, een kattenjong te zien. Op mijn vraag of het soms geen moeder heeft die voor hem zorgt, miauwt het hartverscheurend. Ik laat mijn ogen wennen aan de maanverlichte omgeving en speur de houtstapel af en probeer met vriendelijke lokwoordjes een moederkat, die ik niet zie maar waarvan ik toch vermoed dat er zich een tussen het hout verschuilt, te lokken, maar tevergeefs… ofwel is er geen moederkat ofwel is er wél een maar weigert ze hardnekkig om haar warme en knus plekje tussen het hout te verlaten en wacht ze geduldig tot haar dwaze, klein kattenkind uit zichzelf terugkeert naar de veilige moederschoot.
Ik ga door mijn knieën trek mijn handschoenen uit en begin het poesje te strelen, ogenblikkelijk stopt het miauwen en begint een lieflijk gespin. Tegen zoveel kattenliefde kan ik niet op, vertederd til ik het op en houd het tegen me aan en praat er zachtjes en sussend tegen, mijn woorden vormen koude wolkjes in het schijnsel van de volle maan. Na een tijdje sluit het zijn oogjes en alsof het mij volledig vertrouwt begint het te slapen in mijn handen. Omdat ik nog een hele weg moet afleggen, zet ik het terug op de grond en zeg dat het moet terugkeren vanwaar het is gekomen. Als ik zie dat het me niet begrijpend aankijkt, geef ik het een duwtje in de juiste richting en vervolg mijn weg.
Tot mijn verbazing loopt het met me mee, als ik stil houd, staat het poesje vol blijde verwachting ook stil en wanneer ik weer begin te stappen, huppelt het met me mee, de ene keer loopt het een heel eind voor me uit, een poosje later loopt het met een wijde boog dartel het veld op, keert dan op zijn passen terug, staat stil en hijgt om even later bliksemsnel het pad over te steken en de akker aan de andere kant op te sprinten, soms blijft het wat achter om mij een ogenblik later weer voorbij te steken. Ik lach om zijn zotte, dolle fratsen en maan het aan om maar wat kalmer en voorzichtiger te zijn.
Net als ik eraan denk dat het maar eens tijd wordt om terug te keren en naar huis te gaan, net op dat moment zie ik mijn klein maatje niet meer, ik roep zachtjes en keer op mijn stappen terug en zie het kleine mormel enkele meters verder hijgend en naar adem happend in het midden van het pad zitten, het lijkt doodop en volledig uitgeteld dus til ik het voor de tweede keer op en het valt pardoes in slaap in mijn handen, vertederd wikkel ik het in de panden van mijn wollen sjaal en zonder wakker te worden spint het alweer en slaapt de slaap der onschuldige…
En zo, met het kleine katje tegen me aan beschermend tegen de koude wrede wereld, keer ik naar de paardenweide terug en jawel, terwijl ik de poort nader, zie ik dat er een grote poes van gelijkaardige snit als het kleintje staat te wachten, ze draait een rondje rond mijn benen en als ik het jong uit mijn sjerp wikkel en haar toon, miauwt ze kort maar goedkeurend.
Ik zet het poesje weer op de grond en na het verkwikkend slaapje springt het op zijn moeder af die het liefdevol likt en meelokt onder de poort door stappen ze flank aan flank naar de houtstapel waar ze bijna ogenblikkelijk tussen de opgestapelde boomstammen verdwijnen. Ik blijf nog even staan maar ze komen niet meer terug, waarschijnlijk slapen ze al en ik besluit om nu maar snel door te lopen zodat ik dat ook kan doen.
 

De volgende dag ga ik opnieuw naar de paardenweide in de hoop om de twee katten terug te zien maar hoe ik ook lok en verleid, ik zie geen van beiden.

Wel vijf dagen na elkaar ben ik teruggekeerd in de hoop een glimp van hen op te vangen of hen terug te zien maar tevergeefs….

Even slik ik mijn ontroering weg die de herinnering aan die onverwachte ontmoeting nog altijd bij mij teweegbrengt en terwijl ik in de verbijsterde gezichten van het gezelschap enkel ongeloof en verwarring zie, houd ik op met vertellen al heb ik nog een andere anekdote die ik ook nog wou meedelen maar nu doe ik het niet want ik wil me niet nog belachelijker maken dan ik al ben. 

 

‘Die rare’ hoor ik ze denken ‘weer een vrouw die gek is van katten en denkt dat anderen dat ook zijn…’ en terwijl het gesprek verder kabbelt over niets bijzonders voel ik me weer onbegrepen en eenzaam…

 

18:20 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.