01-12-14

Een gewone alledaagse ezel valt geen twee keren over dezelfde steen

NB: Ik heb wel degelijk “EEN EZEL” geschreven. 

Een stramme en koppige ouderling moet vreselijk oppassen of hij valt alle dagen over alle stenen en bijna alle planken die hij in zijn pijnlijk leven ooit zal ontmoeten. 

Thuis had ik een lage plank geplaatst die de deur van de keuken naar de gang en vandaar naar de woonkamer en de slaapkamers, verspert. Dat, om te vermijden dat de hond, van een oerdom engels ras afkomstig, al zijn vlooien, luizen, bloedzuigers en ook uitwerpselen van alle soorten en geuren in de beschaafde wereld zou teweeg brengen en ook achter laten. Drie jaar lang heb ik een oneindig tal keren de moeite gedaan om mijn voeten over de plank te bewegen, immer met in mijn oren de dagelijkse oproep van mijn geliefd vaderke, toen ik nog jong en verstandig was: VOET’N OPHEFF’N!! En waarlijk, God heeft mij bijgestaan en heeft mij nooit doen of laten vallen over die plank, alhoewel ikzelf, mijn vrouw en mijn twee dochters, er bijna alle dagen over struikelden. Het jongste, weliswaar, nog meer dan de anderen want haar beentjes waren niet lang genoeg om te kunnen vermijden dat haar meest gevoelig plekske er gedurig overheen schuurde, wat haar, met de regelmaat van een klok, deed bleiten zoals een baby zonder melkfles. 

Helaas, zoals voorspelbaar, bestaat er altijd een eerste keer voor alles en ben ik er, twee weken geleden, niet alleen over gestruikeld maar ben ik er ook over gevallen. De rechtse voet bleef steken en haperen aan de plank (ik had hem niet hoog genoeg op gehoff’n blijkbaar en God was bezig geweest aan iets anders), de linkse had zich nog niet verroerd op de grond voor de plank, mijn romp en hoofd waren al aan de andere kant voorover gebogen geraakt en já, ik ben recht op mijn afschuwelijke tote beland. Dat wil zeggen, bijna, want op het laatste nippertje kon ik er nog net mijn hand tussen steken.

Ik was alleen thuis, gelukkig, zodat niemand mij heeft horen kreunen en janken van de pijn en ook van het verschot. Vooral aan mijn ribben, van voren, maar van achteren ook, mijn lever en mijn long en wat me bovenal ontstelde, de middelvinger van mijn rechterhand, in een scherpe hoek onder mijn ring- en pinkvingers geplooid. De pijn kwam wel het meest vanuit mijn lever, waardoor ik zelfs om adem moest blijven happen gedurende enkele minuten, maar de aanblik van de vinger, waarmee ik, heb ik daarna ondervonden, alles doe, bracht mij de grootste weerzin. Nooit had ik zoiets walgelijks gezien. Nochtans had ik daar geen zeer van, wat mij deed veronderstellen dat hij niet gebroken was. Ik lag nog op de grond, terwijl ik aan het uitblazen was, toen mijn vrouw en jongste dochtertje vrolijk binnen kwamen huppelen. Mariana loerde versteld naar de rare vinger en wilde er meteen iets aan doen, maar ik verkoos het werk van een deskundige. Ik herinnerde mij, op dat ogenblik, de dronken orthopedist, vriend van mijn broer Johan, die in Gent eens, mij ook hadden willen helpen om mijn arm, plat op de keistenen van een Gentse steeg gelegen, terug in het schoudergat te stuwen, na een valpartij, maar hoemeer hij eraan wroette en eraan wrikte, hoe pijnlijker het werd.

Om een lang verhaal kort te maken, in het hospitaal, na vast gesteld te hebben dat er van breuk geen sprake was, deed de orthopedist alle deuren dicht (zodat niemand mij zou kunnen horen tieren??) en dreigde de verpleger zich stevig aan mij vast te zullen klampen om de vinger terug in zijn voege te kunnen doen schuiven. Ik heb op mijn tanden gebeten, mijn mond dicht geklemd en gefluisterd aan de beul: “doe je werk maar, broere”. “Wil je het met of zonder pijn”, vroeg de dokter benieuwd? Ja, liefst zonder hé, kon ik er nog, met bevende stem, uitkrijgen. Hij deinsde terug, gaf me twee inspuitingen en ook hij begon zijn tanden opeen te klemmen. Wonder boven wonder, het naaldje van de spuit heeft me meer pijn gedaan dan de vinger terug in de originele plaats te wringen. Ik geloof zelfs, ietwat teveel naar de kant op van de wijsvinger. Dat betekent dat ik nu, nog altijd in de plaaster, na twee weken, met nog vier weken voor de boeg, mijn wijsvinger gebruik in plaats van mijn middelvinger, om op het toetsbord te typen, terwijl ik mijn stijve middelvinger gebruik voor al de rest dat veel belangrijker is..

Ik herinner mij dat, toen ik nog rond de veertig draaide en mijn colega van het werk, rond de zestig, iedere keer hij de straat over moest steken om onze dagelijkse dreupel binnen te gaan kwanselen, hij gedurende verscheidene seconden, eerst naar rechts keek en daarna naar links, dan een voet vooruit zette, dan terug week, dan terug naar rechts gluurde en dan naar links en dan zijn andere voet vooruit zette en dan terug week, tot ik het moe werd en rechtstreeks over stak, zonder blikken noch blozen en ik meende vast te stellen hoe uit verschillende banden rook ontsnapte en ik al bezig was met mijn tweede dreupel, terwijl hij nog altijd aan het treuzelen was, aan de andere kant van de straat.

Conclusie: gewone ouderlingen zijn bang voor alles, want ze weten waar precies het gevaar op de loer ligt. Roekeloze ouderlingen, echter, blijven niet alleen hun blanke handen in donkere en zwarte gaten steken, maar ze heff’n nog altijd hun voet’n niet op en gaan niet uit de weg voor enkele stomme ezels, smerige katten en vuile honden.

Hand 001.jpg

19:13 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.