22-11-14

nachtelijke ontmoetingen...

Vannacht schiet ik opeens klaarwakker, ik ga wat dwaas rechtop in bed zitten en denk even na over wat me kan hebben gewekt. Ik weet het niet en sta op, kleed me aan en ga zonder mijn echtgenoot te wekken, zo stilletjes als maar kan, op kousenvoeten de trap af, in de keuken doe ik mijn schoenen en een warme jas aan, open de achterdeur en sta, voor ik het goed en wel besef, in de koude buitenlucht op mijn donkere terras.

Ik kijk omhoog, de maan schijnt helder en klaar aan een hemel vol sterren, en voel me plots klein en nietig onder het oneindige firmament.

Ik open het tuinhek en draai rechts het pad op dat naar de paardenweide loopt. Aan de poort van de stal staat hij al op mij te wachten.

‘Dag jongen.’

‘Dag moeke, hoe gaat het met je?’

Hand in hand beginnen we samen aan een korte wandeling tussen de velden, we slaan de weg in naar de grote boerderij.

Het maanlicht valt vriendelijk op zijn eeuwig jong en lief gezicht.

Hij vraagt me hoe het met iedereen gaat, of we hem al een beetje minder missen.

Of we het al gewoon zijn zonder hem.

’t Is weer net zoals alle andere keren, ’t is een klein gesprek van weinig woorden tussen een zoon en zijn moeder.

Waar de twee eeuwenoude eiken staan en het pad een grote bocht naar rechts maakt, staan we stil en we weten het allebei, hier moeten we afscheid nemen van elkaar, ik neem zijn beide handen in de mijne en houd ze even vast en dan druk ik zachtjes een zoen op zijn koele wang.

‘Tot ziens moeke. Vanaf hier moet ik gaan.’

‘Tot ziens mijn jongen, tot gauw.’

Ik zwaai en ik zwaai tot hij is verdwenen en opgelost in de nacht.

Een hele tijd lang sta ik midden op het pad, eindeloos verloren in mijn eigen gedachten, dan draai ik me met een ruk om en keer terug vanwaar ik gekomen ben want ik herinner me nog een andere afspraak.

Bij de paarden houd ik even halt, ze komen zoals gewoonlijk naar me toe, ik reik over de omheining en geef ze een geruststellend klopje op hun hoofd en voel hun warme adem in mijn gezicht…

 

Nu versnel ik mijn passen en over de brug sla ik weg naar links in en loop door de kale akkers tot aan de schapenboerderij, daar klim ik over het hek en loop dwars door de grote weide, aan de overkant zie ik hoe rudo ongeduldig op mij wacht, ik haast mij want hij houdt het prikkeldraad van de afsluiting omhoog zodat ik er zonder kleerscheuren onderdoor kan.

‘Waar bleef je nu zo lang?’ vraagt hij een beetje humeurig.

‘Toe, wees niet boos, ik ben er nu toch!’

Maar ik vertel hem niets over de ontmoeting met mijn zoon want dat zou hij toch maar gek vinden van mij.

Ik geef hem een zoen, lach, wrijf eens speels door zijn haar, hij lacht terug, we haken onze armen in elkaar en zo, stevig gearmd, maken we onze gewone wandeling tussen de velden, rudo vertelt over zijn dagelijkse leven en ik luister, af en toe knik ik begripvol maar hij merkt het niet…

Op de brug blijven we even staan en staren zwijgend omhoog naar de sterrenhemel zonder einde of begin. Dan draai ik mijn hoofd naar zijn gezicht en kijk in zijn ogen en zie miljoenen sterren weerspiegelen in de mijne.

‘Voel jij dat nu ook, rudootje, hoe onbelangrijk wij zijn in het grote geheel?’

‘Ja lieveke, totaal onbelangrijk!’

We blijven een hele tijd dicht bijeen, onze handen in elkaar verstrengeld, staan, we praten niet veel meer, we genieten van dit zeldzame moment van samenzijn en intimiteit.

De klok van de dorpskerk slaat een onzalig nachtelijk uur.

Onze tijd is om.

We moeten terug.

We lopen samen tot aan het kruispunt en nemen afscheid.

Ik kijk hem na zolang ik kan, wanneer hij aan de rand van het dorp de eerste huizen bereikt, draait hij zich nog eens om, ik wuif en ik wuif en ik wuif …

dan houdt mijn wuiven op want ik zie allang niemand meer.

 

Nu zet ik er de pas in en keer door de weilanden naar huis terug, mijn modderschoenen laat ik buiten onder de tuinbank achter.

Eenmaal boven kleed ik me snel uit, nu pas voel ik hoe hondsmoe ik ben en glijd geruisloos tussen de lakens.

Ach, wat jammer, nu ben ik nog vergeten te vragen wat rudo volgende week voor zijn verjaardag wil, denk ik nog en dan valt de slaap, als een warme deken over mij…

 

 

17:25 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.