28-03-14

Herinneringen (vage, weliswaar) uit de Vakschool van Roeselare - Vijftig jaar geleden

Wat ik me het meest en het best herinner van de Katholieke Vakschool in de hoofdstad van West-Vlaanderen, was de Machine Werkplaats, halvelings onder de grond gelegen ten opzichte van de speelkoer en de Poolstraat (of was het omgekeerd?) en waar de indrukwekkende stank van de olie gebruikt om de hitte af te voeren van metaalsnijdende en afknagende boren, frezen, zagen, schaven, slijpstenen en beitels, de andere geuren, ook eigen aan mechanische werkplaatsen, overheerste en zelfs verdrong. Het was er altijd enorm druk, de lucht besmet met rook en spetterende vonken van alle aarden en het voortdurend en overwelvend gebons van metaal op metaal liet ons, aandachtige leerlingen, niet toe luchtige gesprekken en gedachten met elkaar te voeren en te verwisselen. Daar voelde ik mij echter, als het ware, thuis, in mijn doen en laten, gereed dat ze mij aan het maken waren belangrijke en onvervangbare diensten te leveren aan de maatschappij, waarin ik uiteindelijk toch nuttig zou worden en zelfs opvallend de belangstelling van diegenen die handen zoals de poten van mollen hebben, nauwelijks in staat voor zichzelf te zorgen en zelfs helemaal onbekwaam een gewone daglamp te vervangen zonder te dreigen van de wankele stoel te vallen, zou weten te veroveren. Ik, de zoon van een uiterst gerespecteerde en nog meer gevreesde schoolmeester van de Broederschool van Roeselare, oorspronkelijk bedacht en geschapen om eens een geleerde mens te worden, uitgerust met fijne aristocratische gelaatstrekken, verkiezend de hersens te gebruiken in plaats van de spieren, was, door een ongelukkige samenloop van spijtige omstandigheden gewoon terug gezakt naar een lager niveau, om niet te zeggen, gekelderd naar dat van het gemeen werkvolk en daarvoor verraderlijk verkleed in een donkerblauwe overall (macacão), getuigend van de noodzakelijkheid absoluut niet bang te mogen zijn van vuile handen, nodig om de boel daar, daar beneden, alle dagen van de week, op te kuischen.

Lieve arbeider, toen veertien.JPG

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik was nochtans heus niet perfect op de draai- of freesbank, schaaf- boor- slijp of zaagmachine en ik kon ook niet goed vijlen, kon helemaal niet goed lassen en voor het eenvoudig polieren had ik gewoon geen geduld, maar ik was wel de beste in het verbaasd observeren, aandachtig waarnemen, oprecht waarderen en grondig appreciëren van onze verscheidene meesters en zelfs de betere leerlingen die in de eerste rij stonden en danig goed wisten om te gaan met alle soorten gevaarlijke machines, zwaar wegende onderdelen en fijn afgewerkte machinestukken, terwijl ook niet terug deinzend voor het dreigend vuur dat geregeld aangewakkerd moest worden met behulp van draagbare blaaspompen, nodig om het gesmolten metaal aan onmiddellijk vervorming te kunnen onderwerpen.

In compensatie, ook aan de theoretische kant was ik niet helemaal  opgewassen tegen de geheimen van het industrieel tekenen en benijde ik een collega van Izegem (of was hij van Ingelmunster?), die daar wel heel erg bedreven in was en de tekeningen gewoon door zijn vingers en handen liet razen, net alsof ze precies voor dat doel geschapen en geschikt waren geweest. Ikzelf beschouwde deze technische gave als iets wat onvermijdelijk te vergelijken was met een hogere vorm van handvaardigheid en zelfs van primitieve kunst.

In het mechanisch laboratorium, waar sterkteleer één van de vakken was, bleef ik me verschrikt achter de rug van collega's verbergen wanneer de leraar wilde aantonen hoe een stukje metaal, koelbloedig maar met behulp van hydraulische persen, onder druk, totaal omvormd en zelfs verkracht kon worden, tot het op den duur zielig ineen knikte, of uiteen sprong, vanwege het uitgeoefend geweld. Het werd, zonder enige scrupules daarover, onderworpen aan verschillende soorten krachten, waaronder de knikkracht, de drukkracht en vooral aan de trekkracht, terwijl ik angstvallig het moment afwachtte dat het arme dunne staafje, opgespannen tussen zijn twee uiteinden, het niet langer zou kunnen volhouden en uiteindelijk begeven, tot het met een luide knal uiteen spatte, als ware het bezweken onder een onmenselijke foltering. Ik vroeg me immers af hoelang ik dat zelf zou kunnen hebben blijven uithouden en voelde oprecht medelijden met het gesneuvelde slachtoffer.

In een andere enorme zaal, aan de rechtse kant van wie naar de werkplaats stapt, de betonnen helling af, bevonden er zich tientallen ouderwetse machines, dicht tegen elkaar aan geïnstalleerd en die luidruchtig, dag in dag uit, alle soorten stoffen en zelfs gordijnen stonden te weven. Daar ben ik zelden binnen geraakt, zonder ooit te weten te zijn gekomen of ik daar echt verboden was of alleen maar ongewenst, omdat ze daar misschien, wieweet, aan de lopende band, Chinese lakens, of zowel Perzische tapijten aan het produceren waren...

In het elektrisch laboratorio, in een hoek helemaal aan de het einde van de machine werkplaats, was er een meester waarvan ze beweerden dat hij zelfs geen multimeter nodig had om de spanning in eender welke "stekker" te weten te komen, aangezien hij daarvoor gewoonweg zijn wijs en middelvinger gebruikte en naargelang de hevigheid van de schok, bepaalde of de lijn op 110 of op 220 volt werkte. Een ware held, in mijn manier van denken, vooral als men weet dat, nog altijd, in vele landen, elektrische schokken worden toegediend aan mensen die hun geheimen niet willen prijsgeven. Ik heb echter persoonlijk nooit willen nagaan hoe hij dat werkelijk deed en of hij, in de sequentie, rood uitsloeg, of zowel wit, zoals dat van een lijk.

Daar in de Vakschool, voor het eerst in mijn leven na de Kleuterschool in Rumbeke en de Broederschool in Roeselare, vond ik het nodig een heel klein beetje te "zeuren" wilde ik passeren in sommige van de theoretische examens. Een grote specialist ben ik daar nooit in geweest (in het zeuren, bedoel ik), en toch ben ik maar ene keer gesnapt en betrapt geweest, door de leraar van elektrische motoren. Hij heeft me toen publiek aangeklaagd en gewoonweg buiten gezet. Toch is hij er uiteindelijk niet in geslaagd mij te doen buizen in zijn vak en heb ik het jaar niet moeten herdoen. Dank zij God, die op alles past.

Op de speelkoer was ik een gekende deugniet, altijd gereed om te zwakken te verdedigen van de hebzucht en de laffe trucs van de sterke, waar ik helemaal geen angst voor koesterde en die ik, zonder boe noch bah, uitdaagde, wetend waar juist hun lever lag. Zelden verloor ik een gevecht, tenzij ene enkele keer, tegen een jongen, twee klassen hoger en ook twee hoofden groter dan ik en die me telkens weer dezelfde judogreep toepaste waarmee ik altijd op dezelfde wijze achteruit op de grond belandde. Zonder schrik nochtans, maar ietwat verrast, probeerde ik opnieuw en opnieuw en werd ik telkens terug omver geslingerd. Na de vierde of de vijfde poging besloot ik een andere tactiek aan te wenden en terwijl ik argwanig terugweek, dreigde ik hem opnieuw een pak rammel te verkopen indien hij nogmaals durfde mijn maat te ambeteren. Ik moet eerlijk bekennen dat hij dat nooit nemeer geprobeerd heeft. Niet bij mijn weten alleszins, alhoewel ik hem, mijn maat dus, sedertdien heb vermeden, vooral als hij aan het bleiten sloeg, teken dat hij mij nodig achtte.

Zo heb ik beginnen te begrijpen wat er speciaal omgaat met taaie mensen. Ze zijn niet bang, voor eender wie of wat, zijn zelfzeker en als ze toch het onderspit moeten delven, wat ook gebeurt, dan nog geven ze het niet op, tot de tegenstander vast stelt dat er geen doen nemeer aan is en dat hij rapper moe wordt van het slaan, dan de andere, van te incasseren.

Onder één van de zwakkere maten behoorde er een ietwat mager en schuchter type die, toen wist en begreep ik dat nog niet, er eerder een beetje meisjesachtig bijliep. Hij daagde mij regelmatig uit, zonder dat ik daar een ware reden voor vond, om OP HEM een judogreep uit te oefenen waardoor ik hem, naar voren buigend, over mijn heup en schouder slingerde, wat mij verplichte hem bij zijn arm te blijven vasthouden vooraleer hij met zijn kloten op de betonnen vloer van de speelkoer terechtkwam. In het begin had ik er niet speciaal op gelet maar naargelang hij me meer en meer uitdaagde begon ik te voelen hoe er een hard en eigenaardig voorwerp over mijn achterwerk schuurde, iedere keer hij over mijn heup tuimelde, zodat ik me eerst verbaasd afvroeg of het zijn dikke vulpen niet was in zijn broekzak, maar wat ik later uitsloot omwille van het feit dat het voorwerp niet in zijn broekzak bleek te zitten, maar eerder tussen zijn benen. Vanaf deze vaststelling vermeed ik verder aan zijn uitdagingen te voldoen en verwees hem naar die andere, grotere en oudere, jongen die, op gebied van achterwerk, duidelijk veel beter geschapen was dan ik, wat hij meteen en gerust gesteld, gulzig en met lust in zijn ogen, aanvaarde. Nu begrijp ik natuurlijk wel wat er in zijn hoofd omging, maar toen begreep ik nog niet, een halve eeuw geleden, dat het achterwerk van een man niet alleen dient om er gemakkelijker mee op een Wc-bril te kunnen gaan zitten..

Vakschool Roeselare.JPG

20:37 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.