27-12-13

De Toog (12)

De nieuwe dag, onze laatste dag, verloopt in een roes van euforie want rudo is bijzonder voor mij en ik voor hem. We draaien en fladderen voorzichtig rond elkaar en zijn stiller dan stil want het belangrijkste hebben we natuurlijk allang gezegd en veelvuldig herhaald, wat kunnen we nog met woorden aanvangen?

De avond eindigt mooi met een rode ondergaande zon en de zilte geur van de zee. We hebben een soort vredigheid bereikt maar daarmee is ook de weemoed gekomen, langzaam lopen we in de stille avondschemer hand in hand naar het huis.

 

Onze laatste nacht samen is begonnen.

Morgen gaat rudo weg, dat staat vast, straks gaat hij weg uit deze kamer, dit huis, dit land, mijn leven.

De voorbije dagen heb ik hardnekkig geweigerd om één gedachte aan zijn vertrek te spenderen maar nu kan ik het afscheid niet langer van mij wegduwen. De nakende scheiding is ondraaglijk.

Uiteindelijk gaan we veel te vroeg naar boven en naar bed zonder dat een van beiden zin heeft om te slapen hebben we ons voorbereid op een lange, laatste maar helaas geen eindeloze nacht.

Rudo zit op het voeteinde van het bed, het diffuse licht van het nachtlampje werpt een zachte gloed op zijn lief gezicht en diepe schaduwen onder zijn ogen die iets indringends hebben en ze zijn donkerder dan de mijne.

Ik zit, gesteund door kussens, rechtop te wachten op wat zal komen en laat zo kostbare tijd verloren gaan.

‘Ik moet terug, ik kan niet anders dan terug gaan…’ fluistert hij met een hese stem.

‘Ja, ik weet het, mijn lief…’ zeg ik en buig me naar hem toe en neem zijn handen tussen de mijne terwijl een golf van misselijkheid over me heen golft besef ik dat er nu echt een eind komt aan ons veel te korte samenzijn.

In een waas van tranen kijk ik hem aan alsof hij nieuw is.

Ik knipper herhaaldelijk met mijn ogen en staar lang naar dat vertrouwde gezicht dat ik op mijn netvlies wil etsen.

Ik trek hem naar me toe en zoen hem op zijn voorhoofd, ik adem zijn geur, ik heb een brok in mijn keel van alle ingehouden tranen en vraag of hij niet liever wil slapen want er wacht morgen een lange dag, een vermoeiende reis maar hij zoent me, brutaal en zacht tegelijk.

Neen, slapen wil hij niet en hij legt zijn handen op mijn schouders, mijn ademhaling gaat sneller.

Ik sla mijn armen stevig om hem heen, niet in een dramatisch gebaar, want ik wil ‘zijn weggaan’ niet moeilijk maken maar liefdevol en innig alsof ik hem nooit meer los zal laten.

Hij streelt me nog eens, heel lichtjes nu, het is een hulpeloos gebaar vooraleer hij mij zal verlaten…, mij achterlaten...

 

Het stormt vannacht, de wind huilt en giert om het huis…

het stormt ook in mijn hart...

Ik kruip dicht tegen hem aan en leg mijn hand op zijn buik die rijst en daalt op het ritme van zijn ademhaling.

Ik praat niet meer, ik luister en ik wacht…

Soms zoen ik hem met kleine, snelle zoentjes zoals kindertjes dat doen, soms zoent hij mij, soms zoenen we elkaar en dan laait de passie weer op. Hij heeft een arm om me heen geslagen, beschermend, zonder zich te haasten streelt hij mijn borsten, maakt trage cirkels rond mijn tepels, tussen het zoenen door hoor ik zijn en mijn ademhaling versnellen…

Ik voel verdriet en liefde, maar teder en verlangend trek ik hem naar me toe, we zoenen en we strelen tot ik zeg: ‘kom maar…,’ en er is natuurlijk geen andere optie.

We gaan op in elkaar, diep en dieper…ik duw geestdriftig mijn heupen omhoog, we klemmen ons aan elkaar en terwijl we sidderen op heerlijke golven van genot, fluister ik: ‘lieve rudo…, lieve, liefste rudo….

Door hem gloei ik helemaal van binnen en dat is een prettig gevoel…

Onze vereniging is zo totaal, zo genotvol, zo pijnlijk, zo bevrijdend, zo helemaal alleen van ons …

Tenslotte liggen we stil en houden alleen elkaars hand vast, onze vingers ineengestrengeld.

De rest van de nacht liggen we muisstil onder het dekbed met onze armen om elkaar heen alsof de wereld buiten niet bestaat, alsof er niemand anders bestaat dan hij en ik en kijken naar elkaar in de halve duisternis.

Deze gedeelde intimiteit maakt alles goed…

 

De ochtend van het afscheid is aangebroken, het is een winderige dag met een veel te uitbundige zon aan een stralende blauwe hemel.

We zijn veel te vroeg opgestaan en rudo is veel te vroeg aangekleed en gereed om te vertrekken. Geen van beiden hebben we  deze morgen zin in een ontbijt , een kop koffie is al meer dan teveel.

Een half uurtje later staat de auto klaar en is de bagage ingeladen.

Onhandig blijven we in de keuken dralen, rudo duwt me met mijn rug tegen de muur en leunt zwaar tegen mij en kijkt me aandachtig aan.

Er zitten oneindig veel tranen in mij, ik zeg niets om niet in snikken uit te barsten want dat wil ik niet. Ik kan hem toch niet laten vertrekken met herinneringen aan een wenende geliefde.

Hij omhelst me met zijn sterke armen om me heen, ik ruik zijn geur, hij drukt brutaal zijn lippen op de mijne en brengt me voor de allerlaatste maal in vervoering.

We zijn de voorbije dagen zo intens samen geweest, we hebben samen gelachen en gehuild, gewandeld en verteld, gezoend en gestreeld, gevrijd en de liefde bedreven…

En nu is het allemaal over, voorbij en afgelopen…

Hij zal wel blij zijn dat hij terug mag… bedenk ik.

 

Zonder elkaars hand los te laten stappen we in de auto, ik wil mee, en al wil ik eeuwig bij hem blijven niet verder dan tot in het dorp ga ik mee. De rit duurt veel te kort, en dan is dat allerlaatste moment al aangebroken, nog een laatste zoen…, een laatste omhelzing…, een allerlaatste….

We beloven elkaar om te schrijven, alle lieve dingen die we voor elkaar voelen zullen we schrijven en dan rijdt de wagen weg.., de liefde van mijn leven rijdt weg, na de eerste bocht is hij uit het zicht en uit mijn leven verdwenen…., en ik weet warempel al niet meer of we elkaar ‘vaarwel’ hebben gezegd of ‘tot ziens’ gezwaaid en paniekerig zoek ik mijn geheugen af.

 

Niet in staat mijn eigen ellende te dragen, ga ik binnen in het cafeetje op het plein waar de goudkleurige herfstbladeren, door de grillen van de wind een vreemdsoortig dansje draaien, …ons cafeetje, waar het enkele dagen geleden allemaal begon.

Eenmaal binnen geloof mijn eigen ogen niet, de dikzak, die nog altijd niet is gekrompen, met zijn waterige oogjes zwemmend in zijn veel te rode, opgeblazen gezicht hangt alweer of nog altijd aan die ongemakkelijke cafétoog en hijst cognac naar binnen alsof zijn levenslust ervan afhangt.

Met een korte groet loop ik hem voorbij, hij herkent me niet, maar waarom zou hij?

Het is amper 11 uur in de voormiddag.

Ik ga aan dezelfde tafel aan het raam zitten en bestel koffie aan dezelfde norse ober.

Het is vandaag helemaal niet gezellig in het café, het is er koud en kil en nu pas zie ik hoe aftands het meubilair is, hoe kaal het tapijt.

Twee goed in het vlees zittende vrouwen van middelbare leeftijd met overvolle boodschappentassen bezetten een tafel in het midden van de gelagzaal. Ze drinken thee en eten taart en roddelen geanimeerd over iedereen die aanwezig is in de zaak, over de twee kalende, dikbuikige mannen die in een hoek zitten, allebei verzonken in hun eigen lethargie heffen ze hun glas naar hun mond en zwijgend wenken ze de ober om ze nog eens te vullen, maken ze flauwe grapjes.

Ook over mijn aanwezigheid, dat kan ik wel zien, hebben ze een onduidelijke mening. Het kan me niet schelen want ik bezwijk bijna onder de inspanning die het mij kost om mijn tranen te bedwingen.

De koffie is lauw en smaakt flauw en ik vraag me voor de zoveelste keer af: ‘Wat doe ik hier?

Wat zoek ik hier?

Rudo is hier niet, zelfs zijn schaduw is verdwenen.

Ik mis hem, ik voel oprecht gemis. 

 

Terug buiten speur ik de hemel af.

Ergens daarboven is hij, hij vliegt terug naar dat verre, vreemde land waar ik niets vanaf weet en dat hij ‘het zijne’ noemt.

Ach, kon ik hem nog maar één keer aankijken…, één keer omhelzen…, één keer tegen me aandrukken…één keer zoenen…

Wordt het niet eens tijd dat ik volwassen word?

 

Terug in het huis slenter ik van kamer naar kamer en raak alles aan wat hij heeft aangeraakt. Zijn lichtblauwe hemd hangt vergeten en achteloos achtergelaten over een stoelleuning, zonder nadenken trek mijn jurk over mijn hoofd en zijn hemd aan en voel de koele stof op mijn huid en een hunkering overvalt me, ik verlang zo verschrikkelijk naar hem en daar schaam ik me een beetje voor.

In mijn kamer ga ik languit op het bed liggen en mijn gedachten stijgen op, vliegen, zweven naar mijn geliefde…ik ga met mijn vingers over mijn lippen, voorzichtig en tastend… rudo’s zoen zit er nog op, ik voel opnieuw de druk en ik herken zijn geur.

Ik sluit mijn ogen en beleef de zoen opnieuw en opnieuw, ik hoor zijn laatste woorden: ‘dag lieveling, dag lieveke…’ en ik voel krampen in mijn onderbuik maar dat wil ik niet…

Ik kleed me uit en met alleen zijn hemd aan lig ik op mijn rug op het bed waar we enkele uren geleden….

Met mijn ogen wijd open staar ik naar het plafond en lig ik rudo te missen en slaak een diepe zucht…en nog een…

Uiteindelijk trek ik het dekbed over mijn hoofd en trillend begin ik, diep in zijn kussen weggedoken, te snikken…

 

Nooit meer…?

Nooit meer…

11:08 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.