26-11-13

De Toog (11) - Haar Versie

Ik heb te weinig geslapen en te weinig gegeten, ik kan met moeite adem halen, een onzichtbaar touw snoert mijn keel toe en ik voel me misselijk van al mijn verwachtingen.

Ik voel me doodongelukkig om ook deze afwijzing te incasseren ben ik niet sterk genoeg. Even heb ik mij gewaand als in een flonkerende feestjurk en nu laat hij me achter in een daagse, schamele jurk van zorgen en falen.

 

Ik voel me als nooit tevoren, kil, donker, leeg, alsof ik lichamelijk ineenschrompel tot een minderwaardige stumper.

 

Héél even dacht ik dat ik een gouden geluk’s glinster aan de horizon zag oplichten maar het was niet waar, alles is grauw en de gedachte dat ik de grijze dagen achter me aan moet slepen, beklemt mij.

 

Ik voel me nog akeliger en ellendiger.

 

Is alles een waan geweest, zelfbedrog?

 

Nu is toch gebeurd waar ik bang voor was.

 

In een onbewaakt ogenblik van dwaze opwinding heb ik me in zijn leven genesteld, nu stoot hij me eruit en ik kan niet eens vliegen.

 

Ik probeer het nog uit te denken maar ik kan mijn uitgeputte geest beter overtuigen van maar liever weer onverschillig te leven en me niet langer aan herinneringen vast te klampen.

 

Ik vond het heerlijk en ik keek al verlangend naar een morgen. Als ik nu aan morgen denk en aan alle volgende morgens word ik radeloos.

 

Ik moet die nachtmerrieachtige nacht van mij afspoelen dus ga ik douchen.

 

In de badkamer vermijd ik doelbewust mijn spiegelbeeld, kleed me uit en laat alle kledingstukken achteloos op de grond vallen.

 

In de douche geef ik, onder de warmte van de waterstralen eindelijk mijn opgekropte tranen de vrijheid. Rillend sla ik mijn armen om me heen en huil met lange, diepe snikken.

 

Ik wil hier weg, ik wil weg uit dit huis met zijn valse beloften en onvervulde dromen, ik kan hier onmogelijk nog langer blijven...

 

Door mijn eigen gesnik hoor ik niet eens dat rudo de badkamer binnenkomt.

 

‘Kom’, zegt hij, en hij stapt ook onder de waterstraal en legt een hand op mijn schouder.

 

‘Ik zal je rug inzepen en laat mij nu je haar wassen.’

 

Verward doe ik een stapje opzij.

 

Ik open mijn mond om tot de ontdekking te komen dat mijn tong het tijdelijk laat afweten.

 

De twinkeling in zijn ogen en de grijns op zijn gezicht maakt me onzeker en ik voel me naakt.

 

Met een schok begint mijn schuchterheid, ik voel me bloter dan bloot.

 

Zijn trillende handen glijden liefdevol over mijn heupen. Twijfelend tussen mijn verlangen om aan zijn borst uit te huilen en hem van mij weg te duwen, doe ik niets.

 

Hij streelt met zijn handen over mijn rug en ik ben verbaasd dat mijn lichaam reageert met een siddering van genot.

 

Ik begrijp er niets van?

 

Mag ik hem in mijn armen nemen? Hem strelen?

 

Hem tegen mijn borsten houden of moet ik hem aan zijn eigen woorden herinneren?

 

‘Nu weet ik het weeral niet meer…’ zegt hij terwijl hij zijn ingezeepte handen wellustig over mijn borsten laat glijden.

 

Heeft hij zich werkelijk bedacht?

 

‘Zoen me! Zoen me dan toch!’denk ik.

 

Ik verlang naar hem en ik verlang dat hij ook naar mij verlangt.

 

Hij legt zijn hoofd tegen mijn borsten en ik voel me duizelig van geluk, zijn hand komt tot rust tussen mijn benen en ik woel door zijn haar, ik streel zijn schouders, ik streel zijn rug terwijl ik denk:

 

‘Zeg dat je van me houdt, zeg dat je bij me blijft…’

 

Ik voel de opwinding van zijn huid tegen mijn huid, een tinteling verspreidt zich over mijn hele lichaam.

 

We klemmen ons steeds steviger aan elkaar vast en met onze monden op elkaar gedrukt, beweegt hij diep in mij tot ik eindelijk kreun:

 

‘mijn lief, ach mijn lief….

 

Wie zal zeggen wanneer we elkaar weer los moeten laten?

 

Ik niet!

 

Rudo ook niet!

 

Dus blijven we ineengestrengeld genieten onder de weldadige warme waterstroom…

 

Tijdens de stille, late uren, uren en uren later…zitten we opnieuw op de bank bij de haard.

 

De hitte laait fel op.

 

Rudo ligt op zijn rug en nestelt zijn hoofd in mijn warme schoot, zijn ogen zijn gesloten, hij is moe van alle emoties.

 

Teder leg ik mijn hand tegen zijn wang.

 

Wat eenmaal begonnen is kunnen we onmogelijk tegenhouden, denk ik en ik trek zijn hemd omhoog….

13:23 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.