14-05-14

Pestrekverrek - Enkele uitreksels van mijn dagboek, veertig jaar geleden.

Rumbeke, Dinsdag, 13 april ‘71

 

Het is er eindelijk van gekomen: ik begin een dagboek. Mijn besluit staat vast. Verscheidene keren heb ik eraan gedacht. Eenmaal ben ik er aan begonnen, maar het werd tenslotte een brief en die brief is dan nog niet verzonden geweest. Gestolen met nog een massa andere dingen, in Gent. Spijtig. Vooral veel persoonlijke werkjes gingen verloren. En een thesis. Maar dat is voorbij. Er is vandaag nochtans niets gebeurd. Een alledaagse dag. Een dag zoals alle dagen. Vervelend. Dus is het hier niet de klassieke druppel die de emmer... Nee, het ging zo maar, zonder meer. Ik moet me namelijk dringend ontlasten. Veel problemen. En ongrijpbare oplossingen. Ijle woorden. Ijle mensen. Ijle wereld. Inderdaad: 22 jaar en nog veel meer. Ik word verondersteld volwassen te zijn. Ik ben nog een domme onnozele tiener. Maar daar heb ik het nog wel eens over. Tot gisteren placht ik me te ontlasten door middel van brieven. Lange brieven. Alsof anderen kunnen helpen. Niemand kan helpen. En in feite heb ik dat altijd geweten. Maar men zoekt contact. Menselijk contact. Liefheid. Vriendelijkheid. Och ja, die is er wel. Maar ik kan me nooit van de indruk “schijnheiligheid” ontdoen. Zelfs mijn moeder ontsnapt er niet aan. Integendeel. Later daarover meer. Ik blijf brieven schrijven. Ik hou niet van plotse veranderingen. Geleidelijk aan. Dat gaat beter. Té gevoelig. Dat is mijn grootste handicap. Je merkt het nog wel. Wat krijg je ervoor terug? Holle woorden. Nietszeggende zinnen. Gemaaktheid en oneerlijkheid. Niemand die mijn brieven begrijpt. Ja, de woorden wel. De zinnen ook. Maar de diepte, het decor, dat is onverstaanbare taal. Mijn wanhoopskreten blijven onbeantwoord. Misschien wil ik dat wel. Ja, ik wil het zo. Trouwens; niemand zou er achter kunnen komen, afgaande op mijn brieven. Ze zijn te veel omfloerst. Versieringen en details verdoezelen de inhoud. De bomen verdwijnen door het bos. Ik ben alleen. Ik ben eenzaam. Verschrikkelijk eenzaam. Ontzettend ver verwijderd van de anderen. Tweeëntwintig: wat moet er van mij geworden? Misschien ben ik wel gek aan het worden. Dat weet men zo dadelijk niet. Maar de anderen zijn ook gek. Nog veel gekker. Of ben ik mis? Zijn ze soms net als ik? Ik maak toch ook veel “lawijt”. Ik toon me toch ook niet zoals ik ben. Wie weet is iedereen niet gelijk aan mij. Maar ze denken misschien zo veel niet. Of beter: dromen. Het is niet meer dan dromen. En daar zal ik kapot van gaan. Als het niet verandert. En waarom zou het veranderen? Ik wil het zélf niet. Ik heb te veel medelijden met mezelf. Ik wil immers alleen zijn. Ik wil immers afzien. Of niet? Nee, ik wil het niet. Maar men verplicht me. Ik word gedwongen alleen te zijn. Men drijft me in een hoek; men maakt me eenzaam. Onbewust? Misschien? Maar dat kan me weinig schelen. Het is zo en het blijft zo. De oorzaak is van weinig belang. Het gevolg is des te meer van belang. Ik moet mezelf opsluiten. Wel: het zij zo. Niemand komt nog binnen. Als ik er zelf iets kan tegen ondernemen tenminste. Want ik heb me tenslotte ook niet helemaal onder controle. Op gebied van verliefd worden althans.

 

Net als alle andere jongens heb ik verschillende jeugdliefdes gehad. Of beter verliefdheden. Want in pure liefde geloof ik niet (tenware die van de moeder voor haar kinderen). Noch in God, noch in geluk, noch in de mens, noch in mezelf. In niets of niemand. En dat is erg. Zodus: verliefdheden. En ze zijn altijd alleen van mijn kant gekomen. Tenzij misschien één. De eerste (en de meeste) was alleen verliefdheid van ver. Gewoon op een kermis ontmoet (de goeie ouwe tijd). Ik was er stapelzot op. Toen heb ik eens, op één avond, 1.000 frank over de balk gegooid op de “auto scooters”. Gewoon om in het zicht te zijn voor haar. Tevergeefs. Zelfs kijken durfde ik niet zo goed. Ik was amper 14 jaar. Vooral als ze lachte was ze ontzettend mooi. Eigenlijk maar een blozend boerenmeisje. Maar zó onschuldig, zó natuurlijk. Toen was ik werkelijk verliefd. Voor de eerste keer. Maar ik was zó schuchter (nog altijd, maar nu is het beter onder controle). Mijn instinct zegde mij eigenlijk dat ze mij ook wel in het oog had. Maar já! Ik heb me er alléén moeten overzetten. Niemand heeft er ooit iets van geweten. Twee, drie jaar kwam ze bij tussenpozen opduiken. Tenslotte is “uit het oog, uit het hart”, waarheid geworden. Toen werd ik "verliefd" op een jongen. Kinderlijke verliefdheid op een schoolmakker. Geen bepaald knappe jongen. Ook zo’n boerenzoon. Gezond, blozend. Ik ben nochtans allesbehalve homo. Het komt meer voor, heb ik gelezen. Nog eens, twee, drie jaar, tot ik hem eveneens uit het oog verloor. Hij heeft het zeker en vast nooit vermoed. Want ik was er allesbehalve vriendelijk tegen. Integendeel. Ik ging hem zichtbaar uit de weg. Ik heb er zelfs eens tegen gevochten. Om hem alleszins te bewijzen dat ik hem niet kon uitstaan. Maar ik had hem lief. Helemaal niet seksueel. Gewoon zo maar lief. Ik heb er veel van afgezien. Iedere keer ik hem zag ging er een steek door mijn hart. Later kon ik hem zeker niet meer van dichter benaderen. Ik stond vol uitslag. En dat wilde ik hem niet van dichtbij laten bezien. Harde dagen waren dat. Of beter: harde jaren. Ze zijn de oorzaak van al wat komen zal. Ik vervloek degene die me dat aangedaan heeft.

 

Dan kwam Oostende. Daar ben ik ook enige malen verliefd gevallen. Weliswaar voor kortere duur (enige maanden), maar het begint te wegen. Vooral als ik nooit de kans krijg om contact te maken. Weeromal te schuchter. Zo gingen twee en een half jaar voorbij. Verliefd vallen, vechten, vergeten. Weerstand bieden. Altijd herbeginnen. Toen kwam Joselinne, een vriendin van mijn zuster. Ze stak vol complexen. Overvol. Maar ik merkte het niet. Na enige moeilijkheden verkeerden we. Ik was 21. Verliefd was ik echter niet. Alleen seksueel aangetrokken. Het waren mijn eerste en totnogtoe laatste stappen op het gebied van de seks. Tot onder haar rok. Acht maanden hield ik het vol. Toen was ik die seks, en niks anders dan die seks, beu. Vooral haar minderwaardigheidscomplex viel me tegen. Daar ben ik toch altijd van bewaard gebleven. Trouwens toen kwam ook Dorus. En dat was een nieuwe echte verliefdheid. Nog altijd tenandere. Ik lijd er onder. Ze speelde met me. Met mijn gevoelens. Ik wou dat ik haar kon haten. Ik heb er, alles samen, geen twee dagen mee gevrijd. Want toen had ze weeral een andere. Een betere. Oh ja, ik mocht wel brieven schrijven. Liefst twee per dag. Maar antwoorden, nee, dat kon er niet meer bij. Ze heeft ook een minderwaardigheidscomplex. Dat wist ik wel. Maar ze liep er niet mee te koop, zoals Joselinne. Ze kwetste me ook graag. En ik werd er alleen verliefder door. Voor de eerste maal heb ik me vernederd. En het deed me niets. Ik deed het zelfs graag voor haar. Maar zij speelde met me. Kan ik het haar vergeven? Wellicht wel. Ik hou van haar. Voortdurend werd ik heen en weer geslingerd tussen hoop en wanhoop. Vijf maanden lang. Toen heb ik er een punt achter gezet. Méér kon ik niet meer nemen. Ik had genoeg. Het laatste contact dateert nu al van zes maart (een familiefeestje, bij ons thuis). Zij was één van de oorzaken van het geven ervan. Een laatste poging. Het is mislukt. Punt erachter. Schijnbaar. Want intussen lijd ik maar verder. Vecht ik maar verder. Als ik intussen niet terug op haar val, zal het nog een tijdje duren. Jaren misschien nog. Ik hou ook van haar. Met al haar slechte karaktertrekken. Zoals ze is. Dorus (eigenlijk Doris). “Barst”, heb ik haar geschreven. En “veel geluk”. Dat laatste wens ik haar eigenlijk niet. Maar dat zeg je niet. Daar had ik een hele lege brief voor nodig. Verder woorden verspillen aan een uitgemaakte zaak, doe ik niet. Ik heb nog een beetje trots. Of deed ik het omdat dat een beter effect geeft? Het komt beter aan alleszins. Ze is er wel even stil bij blijven staan. Des te beter. Ze mag er nog dikwijls aan denken. Nochtans, als ze terug komt... !! Dan wil ik haar weer. Alhoewel het regelrecht tegen mijn principes indruist. Maar wat wil je. Zoals ik al zei: bij zulke zaken heelt alleen de tijd de wonden. En dat heb je niet in je macht. Intussen laat ik me niet verdoven. In Oostende houd ik contact met een meisje: Rita. Het lief van een jongen van mijn klas. Of beter: een ex-lief. Ze zoekt begrip. Vriendelijkheid. Daar kan ze op rekenen. Maar verliefd ben ik niet. En toch schrijf ik ellenlange brieven. Zo maar. Om het contact met de meisjes te behouden. Hier in Rumbeke is er nog een meisje: Christine. Daar vrij ik zogezegd mee. Ik ben er ook niet verliefd op, maar ze is ontzettend lief. En dat kan ik waarderen. Van “vrijen” heb ik nog niet gesproken, maar dat zijn we aan het doen. Zonder ervan te spreken. Ik vraag mij af wat zij denkt. Ik denk dat ik er mee voortdoe voor de seks. Ze is nogal passief daarin. Ik bedoel, ze laat me maar doen. En ze heeft het wel graag. Ze is alleszins niet koudbloedig. Sedert Joselinne mis ik dat wel een beetje. Vandaar dat ik ze blijf aanhouden. Verder zal ik wel zien.

 

Ik heb nog enkele goeie vriendinnen, maar meer komt er niet bij te kijken. Voor het ogenblik kan ik alleen op Dorus verliefd zijn. Ik wou dat het anders was.

 

Dan heb ik nog een goeie vriend in klas. Als we nog enige tijd bij elkaar zijn, worden we wellicht de beste vrienden. Ik bedoel, hij is mijn beste vriend die ik ooit gehad heb en omgekeerd. Maar er resten slechts drie maanden meer, vooraleer we af gestudeerd zijn. Spijtig. We begrijpen elkaar heel goed. De anderen in klas zoeken me niet zo erg op. En dan kan ik ook geen goeie vriend voor ze zijn. Die jongen noemt Edgard en en is het ex-lief van Rita. Hij heeft het afgemaakt. Na twee jaar verkering. Maar dat zijn mijn zaken niet. En toch zit ik met den aambras. Rita zoekt mij op om hem terug te vinden. Misschien wil ik het wel zo.

 

Rumbeke, Woensdag, 14 april ‘71

 

Vandaag niks speciaals gebeurd. Ja, ’t is waar, ik spreek niet meer of beter, ik ben vies tegen mijn Ma. Ik kan haar eigenlijk niet goed verdragen. Ik krijg altijd de indruk dat ze schijnheilig doet. Mijn allerlaatste reactie daartegen dateert nu van verleden week woensdag. Toen sloeg ze me trouwens met de vaatwasdoek. Dat neem ik van niemand. Ik stond wel geweldig maar die geweldheid stond in dienst van mijn zoeken naar begrip. Ze wees me af. Het zal nog wel een tijdje duren vooraleer ik weer normaal zal doen. Ze zal weten dat ik niet meer geslagen wil worden. Ze had werkelijk geluk dat ze mijn moeder is. Ik stond op het punt terug te slaan. Bovendien zal mijn zwijgzaamheid me harden. Ik ben wel graag zwijgzaam. Gesloten. Dan voel ik me sterk. Ongenaakbaar. Vandaag is er toch iets gebeurd dat ik graag neerschrijf. Verschrikkelijk goed weer (voor morgen nog beter, zegt Pien). Dan speel ik wel graag. Maar ik heb niemand. Dan maar alleen. Voetballen tegen de muur. Bovendien geraken mijn stijve spieren daardoor wat losser. Toen ik op straat kwam passeerde daar juist een meisje met haar hondje. Ik heb ze al dikwijls gezien. Ze woont op het einde van de straat. Zestien, zeventien jaar. Niet lelijk, maar nogal mager. Ik heb haar niet bekeken. Kwestie van principe. Zij bekijkt mij ook niet. Even later, Kathy. De grote onbekende. Ze woont tegenover ons. Franskiljons. Ik heb haar nooit bekeken. Alleen al omdat ze Frans spreekt. Dat haat ik. En nog meer dan haten. Toen ik een tweede maal ging voetballen (misschien wel om die meisjes nog eens te zien) kwam het eerste meisje toevallig weer voorbij. Weer niet bekeken.. Ze bleef aan het einde van de straat (vóór haar huis) hangen. Een tiental minuten. Dan kwam ze terug. Het eerste wat een jongen dan denkt is dat ze voor hem nog eens voorbij komt. Dat deed ik ook. Ik moest zelfs lachen. Maar ik toonde het niet. Weerom niet bekeken. Alhoewel, uit mijn ooghoeken zag ik dat zij wel keek. En ze glimlachte zelfs. Maar ik laat me niet vermurwen. Ik besef wel dat ik mij illusies maak. Ze kwam wél toevallig voorbij. Niet voor mij. Ze is eigenlijk knap. Maar niet mijn type. Daarenboven is ze nog te jong. Met haar hondje op wandel. Nee, ik begin er niet aan. Ik bedoel, om “goeie dag” te zeggen. Wie weet loop ik geen blauwtje als ze niets antwoord en recht vooruit kijkend, voorbij loopt. Nee, daar heb ik teveel trots voor. Of is het schuchterheid? Ik denk dat ik ze beide goed kan combineren. Trouwens, ze mag me niet zien van dichtbij. Vooral niet bij daglicht. En als ik niet moet lachen. Als ze me al niet onaardig vond zou dat gauw veranderen. Laat ze maar bij haar huidige gedachten. Morgen ga ik opnieuw gaan voetballen. Maar je mag ervan overtuigd zijn: al zou er niemand voorbij komen, dan nog ging ik. Maar misschien niet zo lang. Ik doe het wel graag. Het is al zo lang geleden. Vroeger gebeurde dat alle dagen. Met andere kameraden. Jeugdherinneringen. Dat is voorbij. Spijtig. Nu moet ik maar alleen lol maken. Op mijn eentje. Met alle anderen van de straat zijn we zowat in ruzie. Daarbij zijn ze veel jonger. En pretentieus. Ik kan ze niet lijden. Alleen Jef, van naast de deur, wel. Maar hij wil niet. Ik heb hem een kaartje geschreven (voor mijn party 6 maart). Maar hij heeft niet geantwoord. Waarschijnlijk op aanraden van zijn ouders. Barst! Ik vraag het maar ene keer. Voor de rest, ik was alleen thuis deze namiddag. Best zo.

 

Rumbeke, Donderdag 15 april ‘71

 

Al een maand en meer: tandpijn. Het is begonnen met het bloeden van het tandvlees. Toen ik nog kennis had met J. Slechts kussen. Ik denk dat ik van haar de “muilplaag” gekregen heb. Gisterenavond en vandaag: razende tandpijn. Morgen ga ik naar de tandarts. Ik hoop dat Christine het ook niet krijgt. Wat moet ze wel denken? Vandaag is dat meisje terug langs gekomen (2x). Kathy ook. Barst! En mijn thesis geraakt ook niet af. Ik heb nog niet veel geluk gekend. Nog minder gekregen. Tot daar. Het zal wel eens beteren. Eergisteren een brief van Rita. Ze kan er wat van. Eerlijk toegegeven. Maar zó moet ik altijd terug schrijven. Naar twee meisjes en het lief van Marleen. Ik had het haar zaterdag beloofd (in de Karre). Dat spijt me intussen wel. Morgen misschien. Verdomd. Ik schrijf niet graag meer. Als het niet naar Dorus is wordt het toch maar vervelend.

 

Rumbeke, Vrijdag, 16 april ‘71

 

Vandaag naar tandarts geweest (nogal gelachen). Een kei van een tand eruit. Prachtige wortel. Een gat van een gat. En er hangt een bloedzak aan. Erg miezerig. Ik heb beslist een gouden tand te plaatsen. Volgende week. Ik heb nu weinig tijd. Aan mijn thesis werken.

 

Saluut!

19:38 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.