25-10-13

De Toog (8)

We bedrijven de liefde.

 

Liefdevol, verlangend en nog wat aarzelend beginnen we aan ons nieuw verhaal.

 

Ik heb altijd al geweten hoe het zou zijn om hem te beminnen, hij heeft altijd geweten hoe het zou zijn om door mij bemind te worden.

 

Buik tegen buik, mond op mond versmelten we in elkaar. Hij streelt mijn borsten en ik zoen hem met een lichte aanraking van mijn lippen.

 

Ik wil zijn lichaam op het mijne voelen, de druk van zijn borst op mijn borsten. Ik ben overrompeld door de vurigheid van mijn verlangen.

 

Opgewonden en gelukkig streelt hij mij.

 

Hij is goedgezind en bijzonder zorgzaam maar dat hij ook teder kon zijn dat heb ik nooit geweten.

 

Hij voelt mij als een deel van zichzelf terwijl ik onzinwoordjes alleen geschikt voor het duister in zijn oor fluister. Hoewel het fris is in mijn kamer hebben we het dekbed van ons weggeslagen en we liggen warm, bloot en voldaan in de koeler wordende lucht.

 

Dan draait hij zich op zijn zij en ik plooi mij moeiteloos rond zijn rug, het dekbed drapeer ik liefdevol over ons beiden en dan sla ik mijn arm om hem heen en zoek zijn hand, een grote hand en een kleinere die in elkaar sluiten, ik zoen zijn rug en de slaap ontfermt zich over ons.

 

Hij ligt naast mij.

 

Hij slaapt en ik ben al wakker.

 

Ik wil hem aanraken terwijl de dageraad door de ramen gluurt.

 

Ik wil hem toefluisteren: ‘Blijf! Toe blijf…’

 

Ik laat mijn hand boven zijn gezicht zweven, zonder het aan te raken wil ik de warmte ervan voelen.

 

Zijn ademhaling is traag en rustig.

 

Zijn ritme is anders dan het mijne.

 

Ik luister naar de niet vertrouwde geluiden.

 

Ik luister naar het minst vertrouwde geluid van allemaal…, hij ademend naast mij.

 

Hij is zo nieuw…!

 

Ik buig mij voorover en twijfel eraan of ik hem zal wakker zoenen.

 

Héél even maar, dan wek ik hem zacht met een zoen, hij opent slaperig zijn ogen en glimlacht naar mij. Daar hou ik van.

 

Ik hou zijn hand vast terwijl hij praat.

 

‘Het leven is kort…’ zegt hij.

 

‘En het zit boordevol toeval.’

 

‘We ontmoetten elkaar, we sloegen de verkeerde weg in en kwamen nergens.’

 

‘Nu ontmoeten we elkaar opnieuw, we kiezen welbewust de goeie weg maar ook die leidt naar nergens.’

 

‘Dat is liefde’ zegt hij.

 

Een hele tijd liggen we elkaar te strelen zonder iets te zeggen.

 

Hij is mooi om te voelen.

 

‘Ik hou van jou’ – zeg ik.

 

Wat kan ik anders zeggen?

 

Dan neemt hij mij in zijn armen en terwijl ik mijn gezicht in zijn hals begraaf ruik ik zijn geur in de nieuwe morgen, in de nieuwe dag….

 

‘Kom’ zeg ik en samen dalen we de trap af naar de warme keuken, de koffie en de verse broodjes geuren uitnodigend, pas deze morgen heb ik mij gerealiseerd dat we gisterenavond helemaal niets meer hebben gegeten, mooie gastvrouw ben ik, maar deze morgen heb ik in alle vroegte een uitgebreid ontbijt op tafel gezet dat rudo dan ook alle eer aandoet. Zelf eet ik ook iets.

 

Het is een stralende frisse dag, een grote strandwandeling, zo beslissen we, zal ons goed doen.

 

We lopen langs de vloedlijn, arm in arm, het strand is nog bijna leeg op dit vroege uur en ik vind dat heerlijk, rudo lijkt het ook op prijs te stellen.

 

We lopen dicht langs het water waar het zand vochtig en donker is, onze schoenen hebben we uitgedaan en af en toe spoelt er een golf over onze blote voeten, het water is koud maar we vinden het niet erg.

 

Met volle teugen ademen we de zilte zeelucht in en het wordt lichter in ons hoofd, ook onze verhalen en herinneringen worden lichter en luchtiger van toon.

 

Het geschreeuw van de meeuwen wiegt op het rustgevende geluid van de aanrollende golven.

 

Af en toe moet ik even stilstaan van verlangen naar hem voel ik me slap in mijn knieën worden want ik wil zijn gezicht zoenen, de rimpels in zijn voorhoofd gladstrijken, hem omhelzen.

 

Het is al middag geweest wanneer we Nieuwpoort bereiken. Hij heeft honger en wil iets eten vooraleer we in de late namiddag zullen terugkeren.

 

Een eethuis in de nabijheid van de marktplaats lijkt ons geschikt voor de kleine honger. Om buiten op het grote terras te eten is het vandaag te koud dus gaan we binnen. Eerst ga ik naar het toilet, nu niet om een beetje op mijn eentje te zitten dromen maar omdat ik dringend moet en intussen borstel ik het opgewaaide zand uit mijn korte haar. Vooraleer ik naar de eetzaal terug keer kijk ik in de spiegel in de stralende ogen van mijn bondgenote.

 

Op de tafel ligt een rood geblokt tafelkleed, de wijnglazen zijn al gevuld en rudo heeft voor ons beiden besteld en ik ben er, eerlijk gezegd niet erg gerust in, zelfs niet wanneer hij mij plagend naar zich toe trekt en zegt dat ik een beetje vertrouwen moet hebben in zijn smaak en dat ik mij moet laten verrassen …

 

Biefstuk friet!

 

Ik had het kunnen weten!

 

We klinken en drinken wijn, ik heb geen honger en speel een beetje gedachteloos met mijn eten, ik eet zo weinig als ik durf, er blijft wel erg veel over in mijn bord en ik ben blij wanneer de kelner mijn nog bijna volle bord wegneemt.

 

De koffie achteraf smaakt me gelukkig wel.

 

Na een stevige wandeling terug, als op vleugels lopen we nu met de wind in onze rug, komen we vóór het donker thuis. We sluiten de deur en de gordijnen houden de wereld en het schemerlicht buiten, we verlangen allebei naar de behaaglijke warmte van de keuken, en terwijl ik voor een avondmaal zorg maakt rudo de haard in de voorkamer aan, weldra laaien de vlammen hoog op, na het eten zullen we samen op de bank genieten van de rust van de avond, de warmte en van elkaar.

15:26 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.