30-08-13

De Toog (2) - Herschreven

D, een Vlaams meiske waar ik veertig jaar geleden stapelverliefd op was, heeft erin toegestemd haar licht aangepaste tekst hier over te schrijven, inhakend op mijn bericht van enkele dagen geleden, waarin ik beschrijf hoe ik me voelde ná haar afwijzing en de daarop volgende beslissing definitief uit te wijken:

"Hij kan niet goed begrijpen dat een cafétoog zó gemaakt mag worden. Een mens die van plan is zich te bedrinken wil gemakkelijk zitten. Ontspannen!

Eens te meer geërgerd neemt hij zijn boel op en stevent, binnensmonds het ouderwetse café verwensend, naar een tafeltje in een wat duistere hoek. Van daaruit kan hij de deur in de gaten houden. Niet dat dat hem vrolijker maakt, maar je weet nooit hoe een jonge vrouw het in haar hoofd haalt de enige kroeg die dit godvergeten dorp rijk is op haar eentje binnen te stappen.

 

Hij wacht één uur, twee uur. Tevergeefs. De enige bezoeker is een rood gezette zakenman die rechtstaand en met veel ophef sterke drank naar binnen staat te hijsen. Eindelijk komt er schot in de zaak en een eind aan zijn lamlendige verveling, een wijde zwaai van de deur veroorzaakt een welkome onderbreking, een frisse windvlaag verstoort zijn melancholieke gedachten die hem de laatste jaren steeds vaker overvallen en buitensporig hinderen, hij kijkt op en ziet hoe een verwaaide vrouw de zaak binnenstapt.

 

“Weer één die komt schuilen voor een felle regenbui die dreigend aankomt…” denkt hij.

 

“Grijze, zware, laaghangende luchten hangen over de zee, zo ver een mens kan kijken, en regen, regen, elke dag die verdomde regenvlagen... er is niks anders  te beleven in dit achterlijke gat” moppert hij chagrijnig en leunt opnieuw gemakkelijk achterover maar blijft wel naar haar staren. Dat is een oude gewoonte van hem, elke vrouw die zijn pad kruist, taxeert hij, dus ook deze nobele onbekende die even zijn dagelijkse sleur doorbreekt en geen plaats aan de toog opeist, onderwerpt hij aan zijn kritische smaak. Onbeschaamd gaapt hij haar aan en vindt het spijtig dat ze zonder aarzelen en zonder hem een blik te gunnen, plaats neemt aan een tafel bij het raam waar ze haar bijzondere aandacht aan het regengordijn schenkt. Ook de dikzak loopt ze straal voorbij en dat stelt hij op prijs. De ober, die luie donder, komt aansloffen en vraagt kortaf wat ze zal drinken, haar antwoord is even kort maar ferm en krachtig.

 

“Koffie!” 

 

“Zó, ze verkiest dus koffie boven bier of sterke drank… Haar straks een glas wijn offreren zit er waarschijnlijk niet in...”

 

“Ze neemt geen melk en ook geen suiker…” registreert hij waarderend, “ook hij drinkt zijn koffie het liefste zwart…”

 

Nu neemt ze haar grote handtas op schoot en begint erin te rommelen. Het is hem een compleet raadsel waarom vrouwen houden van zulke grote handtassen.

 

“Misschien zeult ze haar hele verleden mee in die tas? Ja, dan wil hij het wel begrijpen, zijn eigen verleden zou er niet eens in passen. Als hij aan zijn eigen verleden denkt…, en even keren zijn herinneringen terug naar lang geleden ……, gelooft hij dat een container nog niet zou volstaan…”

Nu ze gevonden heeft wat ze zocht, zet ze haar tas op de stoel naast haar.

 

“Zó voorkomt ze dus dat er plaats vrij blijft voor intiem gezelschap” oordeelt hij en hij voelt een zweempje van spijt.

 

“Een boek!”

 

Ze legt een klein beduimeld exemplaar op tafel, de titel kan hij vanuit zijn positie niet lezen maar dat het boekje gehavend is en met plakband aaneen hangt, ziet hij wel.

 

“Het is dus vaak maar niet al te liefdevol behandeld, dikwijls in handen genomen en veelvuldig gelezen…”

 

“Door haar…?” Dat zou hij wel eens willen weten.

 

Terwijl ze beschaafd van haar koffie nipt en in haar boek verder leest, slurpt hij van zijn lauwe bier dat hem allang niet meer smaakt en gaat door met zijn waarnemingen.

 

“Ze is niet knap en al lang niet jong meer, ze is gewoon ‘gewoon’ …maar die kaarsrechte rug, die strakke schouders, die trotse, ongenaakbare houding doen hem denken aan iemand…, iemand van lang geleden…, iemand die hij in een héél ver verleden kortstondig heeft gekend….”

 

Hij sleurt zich met een zekere tegenzin uit zijn herinneringen en gaat verder met zijn beschouwingen.

 

“Ze draagt een eenvoudige blauwe zomerjurk die wonderwel past bij haar bleke ogen en in het geheel niet bij dit regenweer en ze heeft dunne benen…” constateert hij wanneer ze het ene been over het andere slaat “en draagt witte sandalen…”

 

“Wat leest ze toch ingespannen en vlijtig…?”

 

“Neen…, ze leest niet! “Sinds het boek voor haar ligt heeft ze nog geen enkele pagina omgeslagen.

 

“Zit ook zij hier een beetje neerslachtig te wachten tot de tijd verstrijkt…?”

 

“Nu houdt ze haar hoofd een beetje schuin alsof ze aandachtig luistert…

 

Waar luistert ze naar…?”

 

Hij heeft er eigenlijk niet eens op gelet maar op de achtergrond klinkt er warempel muziek. Gene Pitney zingt hartroerend en zielsvol:

 

“Only love can break a heart…”.

 

“Ja, ja, ook hij kent het liedje…”

 

“Zou ze daar nu echt van houden…? Is het haar lievelingszanger…? Houdt ze van dat lied of hebben de woorden een bijzondere betekenis voor haar…?” Ook dat zou hij wel eens willen weten. Nu is het lied uit. Ze staat op, neemt haar handtas en verdwijnt naar de toiletten.

 

“Haar boek ligt eenzaam naast haar lege koffiekopje zonder één spoor lippenstift” flitst het door zijn hoofd.

 

“Straks zal ze het café verlaten want de zon breekt door de wolken…” en dat ‘weggaan van haar’ vindt hij jammer.

 

Ook hij staat op en rekt zijn vermoeide rug, hij wil even een kijkje nemen in haar boek vooraleer ze terug komt.

 

“Wuthering heights!” en hij is verbaasd over de woestheid van de titel.

 

Wanneer hij zonder schuldgevoel ongegeneerd in haar spullen snuffelt en het kaftje openslaat, leest hij op het schutblad:

 

“In dromen en in liefde is niets onmogelijk.”

 

“Didicated to…..en dan een naam…haar naam…!” en zijn denken staat stokstijf stil!

 

“Die naam…!”

 

“Haar naam…!”

 

“Die mooie, lieflijke, wonderlijke naam die hij al zó lang uit zijn leven, uit zijn bestaan probeert te bannen….Zonder ook maar enig succes trouwens…”

 

“Neen!”

 

“Dat kan niet, het is volstrekt onmogelijk dat zij hier is!”

 

“Hij droomt! Hij weet wel zeker dat hij droomt. Hij moet dus toch in slaap gesukkeld zijn en hij droomt van haar, hij ligt gewoon thuis in zijn eigen bed, straks staat hij op, neemt een douche en héél deze onwerkelijke droom spoelt weg door het afvoerputje…”

 

“Neen, natuurlijk slaapt hij niet, hij zit werkelijk hier op een erbarmelijke harde stoel, in een kleine, onzalige herberg, de enige in een van god en iedereen vergeten dorp aan de kust van…..”

 

“En nu is zij hier”… denkt hij…vreest hij…hoopt hij…?

 

Hij staart met op elkaar geklemde tanden in zijn bierglas. Zelfs drinken kan hij niet meer.

 

“Wat kan het hem eigenlijk schelen…?”

 

“Alles kan het hem schelen…!”

 

En hij kijkt verwachtingsvol naar de deur, naar de deur van de toiletten…."

21:12 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.