25-10-11

"De smeerput": een voorval met Edgard Van Hecke van Oostende in de jaren '70

Als versteend stond hij daar. De armen iets verwijderd van het lichaam. Koud, onbeweeglijk, dood. Zijn glazige blik traag op de buik van Edgard gericht. Iets naar omhoog, want Edgard stond buiten de smeerput. Met een dweil in de handen. Eerst merkte hij niets. Of toch niet iets dat hij zou kunnen bemerken in zijn toestand. Beiden hadden samen, vijf minuten eerder, nog naarstig de put staan schoonmaken met ontvette benzine. Lachend, gekscherend en onder de invloed van de bedwelmende benzine die kwistig rondgezwabberd werd. Dan, op zeker moment, had Edgard de put verlaten. Proestend en huilend van het lachen. Hij moest persé terug de zuivere lucht inademen. Hij voelde het komen. Maar de andere wilde niet. Nog niet. Nog vijf minuutjes. En dan was het toch gedaan. Toen hij terug in de garage verscheen met de uitgeperste dweil voor zich uit ging hij vlak voor de trap staan, aan het einde van de put. Nagrinnikend bekeek hij zijn vriend die gehurkt op de vloer zat. Heftig wrijvend met de dweil. Er restte nog slechts een heel klein stukje. De moeite niet om nog te gaan helpen. Droog dronken beurelden ze naast elkaar. Hij merkte niet hoe de bewegingen van de andere vertraagden. Hoe zijn malle vertellingen doodbloedden. Tot hij volledig zweeg. Tot hij volledig stil zat. Hij merkte nog niets toen zijn vriend zich tergend onnatuurlijk oprichtte. Zich omdraaide. En met glazige blik zijn buik fixeerde. Hij begon maar argwaan te krijgen toen zijn lollige uitdrukkingen onbeantwoord bleven. Toen ze te lang onbeantwoord bleven. De andere intussen werd glashelder van geest; bij een dood lichaam. Met ontzetting wist hij plots met absolute zekerheid wat Edgard de volgende seconden zou zeggen: “Scheelt er iets misschien?”.

 

“Scheelt er iets misschien?”

 

Alhoewel hij die zin, woord voor woord, verwacht had, kwam hij aan als een striemende kaakslag. Met panische verbijstering besefte hij dat de tijd voor hem geen grenzen meer had. Hij voelde zichzelf verliezen in een ruimteloze leegte die alomvattend was. Hij begon alles te begrijpen. Hij begreep het. Dat wat niemand ooit zou begrijpen. Dat wat alleen een dode ondervindt. Het niets. De oneindigheid. En de dood die meedogenloos zijn prooi, het leven, besluipt. Nog enkele seconden. Het toeval. Totaal verlamd en verbijsterd weet hij wat Edgard zal doen. Een ogenblik later doet hij het. Niet in staat te reageren voelt hij hoe de dood hem onder de oksels grijpt. Hij verliest het bewustzijn. Nog een ogenblik later ontwaakt zijn geest terug. Helderlevend. Onbegrensd. Maar dan voelt hij zijn lichaam wegen. Zwaar wegen. Zwaar van de zware last. De last die hij begrijpt. En dat is teveel. Geen enkel levend wezen mag het begrijpen. Daarom loert de dood. Hij voelt zijn lichaam zakken. Hij voelt steun. Maar de last blijft. En dan begint hij plots ontzettend erg te verlangen naar de rust. De eeuwige rust. De dood. Het niets. Zijn linkerschouder krijgt eveneens een steun. Alles drukt nu op zijn rechterschouder. Hij weet dat die nu bevrijd zal worden. Dat moet. Dat is de wet van het niets. Zijn hoofd is ondersteund, zijn linkerschouder, zijn benen. Waarom blijft die rechterkant hangen? Verdomme! Waarom? Geef me die rust!!

 

Edgard zwoegt aan het zware lichaam. Na het voorzichtig omver geduwd te hebben vangt hij het op onder de oksels. Hij sleept het moeizaam uit de put. En dan uit de garage. In de open lucht. Hij legt het in het natte gras. Hij zet zijn knie onder de linkerschouder. Laat het zakken. En plots glijdt het uit zijn handen. In een flits grijpt hij er naar. En vangt beide schouders op. Het hoofd valt achterover.

 

Zo zeker als dat maar kan, krijgt hij die rust. Een ogenblik voelt hij niet de minste weerstand meer. Het volledig niets. Het oneindige. Niets lichamelijk. Niets geestelijk. En dan plots komt het leven terug. Maar nu drukt de last op zijn hoofd. Oneindig zwaar. En dan vermindert het terug.

 

Edgard zet hem recht. Met een ruk ondersteunt hij het zware lichaam met zijn rechterknie. Het lichaam helt zwaar naar links. Alsof er duizend ton op woog. Zijn hoofd valt op zijn dij.

 

De andere beseft plots klaar en duidelijk dat hij voor eeuwig in een grenzeloze cirkel zit. De last drukt nu tonnenzwaar op zijn linkerkant. Dan wordt ze helderziend op zijn onderkant geladen. Terug op zijn rechterkant... en telkenmale verlangt hij oneindig hevig naar de volledige rust. Telkens als ze er bijna is wordt ze hem terug ontrukt. Hij is te taai. De dood kan hem niet meesleuren. Hij is te levend. En toch wil hij de dood. Volmaakt niets.

 

Edgard heeft alle moeite van de wereld om het lichaam recht te houden. Zijn benen willen niet mee. Hij weegt verschrikkelijk veel. En de benen kunnen het onmogelijk lang volhouden. Ze trillen en beven. Hij legt het terug achterover. Plaatst zijn linkerknie onder de schouder...

15:27 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.