17-10-11

Verdere uitreksels mijn blog-dagboek 1971

"......

 

Rumbeke, dinsdag 13 april ‘71

 

Intussen laat ik me niet verdoven. In Oostende houd ik contact met een meisje: Rita. Het lief van een jongen van mijn klas. Of beter: een ex-lief. Ze zoekt begrip. Vriendelijkheid. Daar kan ze op rekenen. Maar verliefd ben ik niet. En toch schrijf ik ellenlange brieven. Zo maar. Om het contact met de meisjes te behouden. Hier in Rumbeke is er nog een meisje: Christine. Daar vrij ik zogezegd mee. Ik ben er ook niet verliefd op, maar ze is ontzettend lief. En dat kan ik waarderen. Van “vrijen” heb ik nog niet gesproken, maar dat zijn we aan het doen. Zonder ervan te spreken. Ik vraag mij af wat zij denkt. Ik denk dat ik er mee voortdoe voor de seks. Ze is nogal passief daarin. Ik bedoel, ze laat me maar doen. En ze heeft het wel graag. Ze is alleszins niet koudbloedig. Sedert Joselinne mis ik dat wel een beetje. Vandaar dat ik ze blijf aanhouden. Verder zal ik wel zien.

 

Ik heb nog enkele goeie vriendinnen, maar meer komt er niet bij te kijken. Voor het ogenblik kan ik alleen op Dorus verliefd zijn. Ik wou dat het anders was.

 

Dan heb ik nog een makker in klas. Als we nog enige tijd bij elkaar zijn, worden we wellicht de beste vrienden. Ik bedoel, hij is mijn beste vriend die ik ooit gehad heb en omgekeerd. Maar er restten slechts drie maanden, vooraleer we afgestudeerd zijn. Spijtig. We begrijpen elkaar heel goed. De anderen in klas zoeken me niet zo erg op. En dan kan ik ook geen goeie vriend voor ze zijn. Die jongen noemt Edgard en en is het ex-lief van Rita. Hij heeft het afgemaakt. Na twee jaar verkering. Maar dat zijn mijn zaken niet. En toch zit ik met den aambras. Rita zoekt mij op om hem terug te vinden. Misschien wil ik het wel zo.

 

Rumbeke, woensdag 14 april ‘71

 

Vandaag niks speciaals gebeurt. Ja, ’t is waar, ik spreek of beter, ik ben vies tegen mijn Ma. Ik kan haar eigenlijk niet goed verdragen. Ik krijg altijd de indruk dat ze schijnheilig doet. Mijn allerlaatste reactie daartegen dateert nu van verleden week woensdag. Toen sloeg ze me trouwens met de vaatwasdoek. Dat neem ik van niemand. Ik stond wel geweldig maar die geweldheid stond in dienst van mijn zoeken naar begrip. Ze wees me af. Het zal nog wel een tijdje duren vooraleer ik weer normaal zal doen. Ze zal weten dat ik niet meer geslagen wil worden. Ze had werkelijk geluk dat ze mijn moeder is. Ik stond op het punt terug te slaan. Bovendien zal mijn zwijgzaamheid me harden. Ik ben wel graag zwijgzaam. Gesloten. Dan voel ik me sterk. Ongenaakbaar.

 

Vandaag is er toch iets gebeurd dat ik graag neerschrijf. Verschrikkelijk goed weer (voor morgen nog beter, zegt Pien). Dan speel ik wel graag. Maar ik heb niemand. Dan maar alleen. Voetballen tegen de muur. Bovendien geraken mijn stijve spieren daardoor wat losser. Toen ik op straat kwam passeerde daar juist een meisje met haar hondje. Ik heb ze al dikwijls gezien. Ze woont op het einde van de straat. Zestien, zeventien jaar. Niet lelijk, maar nogal mager. Ik heb haar niet bekeken. Kwestie van principe. Zij bekijkt mij ook niet. Even later, Kathy. De grote onbekende. Ze woont tegenover ons. Franskiljons. Ik heb haar nooit bekeken. Alleen al omdat ze Frans spreekt. Dat haat ik. Toen ik een tweede maal ging voetballen (misschien wel om die meisjes terug te zien) kwam het eerste meisje toevallig weer voorbij. Weer niet bekeken.. Ze bleef aan het einde van de straat (vóór haar huis) hangen. Een tiental minuten. Dan kwam ze terug. Het eerste wat een jongen dan denkt is dat ze voor hem nog eens voorbij komt. Dat deed ik ook. Ik moest zelfs lachen. Maar ik toonde het niet. Weerom niet bekeken. Alhoewel, uit mijn ooghoeken zag ik dat zij wel keek. En ze glimlachte zelfs. Maar ik laat me niet vermurwen. Ik besef wel dat ik mij illusies maak. Ze kwam wél toevallig voorbij. Niet voor mij. Ze is eigenlijk knap. Maar niet mijn type. Daarenboven is ze nog te jong. Met haar hondje op wandel. Nee, ik begin er niet aan. Ik bedoel, om “goeie dag” te zeggen. Wie weet loop ik geen blauwtje als ze niets antwoordt en recht vooruit kijkend, voorbij loopt. Nee, daar heb ik teveel trots voor. Of is het schuchterheid? Ik denk dat ik beide goed kan combineren. Trouwens, ze mag me niet zien van dichtbij. Vooral niet bij daglicht. En als ik niet moet lachen. Als ze me al niet onaardig vond zou dat gauw veranderen. Laat ze maar bij haar huidige gedachten. Morgen ga ik opnieuw gaan voetballen. Maar je mag ervan overtuigd zijn: al zou er niemand voorbij komen, dan nog ging ik. Maar misschien niet zo lang. Ik doe het wel graag. Het is al zo lang geleden. Vroeger gebeurde dat alle dagen. Met andere kameraden. Jeugdherinneringen. Dat is voorbij. Spijtig. Nu moet ik maar alleen lol maken. Op mijn eentje. Met alle anderen van de straat zijn we zowat in ruzie. Daarbij zijn ze veel jonger. En pretentieus. Ik kan ze niet lijden. Alleen Jef, van naast de deur, wel. Maar hij wil niet. Ik heb hem een kaartje geschreven (voor mijn party 6 maart). Maar hij heeft niet geantwoord. Waarschijnlijk op aanraden van zijn ouders. Barst! Ik vraag het maar ene keer. Voor de rest, ik was alleen thuis deze namiddag. Best zo.

 

Rumbeke, donderdag 15 april ‘71

 

Al een maand en meer: tandpijn. Het is begonnen met het bloeden van het tandvlees. Toen ik nog kennis had. Slechts kussen. Ik denk dat ik van haar de “muilplaag” gekregen heb. Gisterenavond en vandaag: razende tandpijn. Morgen ga ik naar de tandarts. Ik hoop dat Christine het ook niet krijgt. Wat moet ze wel denken? Vandaag is dat meisje terug langs gekomen (2x). Kathy ook. Barst! En mijn thesis geraakt ook niet af. Ik heb nog niet veel geluk gekend. Nog minder gekregen. Tot daar. Het zal wel eens beteren. Eergisteren een brief van Rita. Ze kan er wat van. Eerlijk toegegeven. Maar zó moet ik altijd terug schrijven. Naar twee meisjes en het lief van Marleen. Ik had het haar zaterdag beloofd (in de Karre). Dat spijt me intussen wel. Morgen misschien. Verdomd. Ik schrijf niet graag meer. Als het niet naar Dorus is wordt het toch maar vervelend.

 

Rumbeke, vrijdag 16 april ‘71

 

Vandaag naar tandarts geweest (nogal gelachen). Een kei van een tand eruit. Prachtige wortel. Een gat van een gat. En er hangt een bloedzak aan. Erg miezerig. Ik heb beslist een gouden tand te plaatsen. Volgende week. Ik heb nu weinig tijd. Aan mijn thesis werken. Saluut!

 

......"

15:36 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.