26-04-11

Zien en walgen

Men mag nooit nalaten eerst eens tersluiks te gluren om dan eens grondig te kunnen walgen.

 

Niet dat ik opzettelijk de andere mensen (graag) gadesla, maar nu je eenmaal op een stoel zit aan een tafel in een restaurant, dan kun je toch moeilijk ergens anders naar kijken dan recht voor je uit. Ik probeer ook niet voortdurend mijn ogen op hetzelfde onderwerp (mens of niet) te laten vallen, maar veel meer dan alleen maar mijn blik naar mijn eigen glas bier wenden, is niet te doen.

 

Enkele dagen geleden bijvoorbeeld kwamen er twee meisjes aan de tafel plaats nemen die juist voor de mijne stond. Twee mollige kontjes tenandere en ze hadden zich recht tegenover elkaar gezet, beiden zijdelings ten opzichte van mij, dus. Het restaurant waar ik nu alle dagen mijn herinneringen ga opwakkeren om ze te kunnen wegen, overwegen en dan te besluiten, heeft zich nu gespecialiseerd in pizza-van-alle-soorten-smaken-aan-de-lopende-band, in plaats van hetzelfde met vlees, wat eerder op een fiasco was uitgelopen. Vertaald wil dat zeggen dat elke persoon, mits betaling van een vooraf bepaald bedrag, zoveel en verschillende soorten pizza kan opvreten als men eventueel bekwaam is in te slikken. Er bestaan zelfs mensen die gedurende twee dagen niets eten, om zo méér in ene keer te kunnen inzwelgen voor hetzelfde geld en er zijn ook mensen, vooral kinderen, die ogen hebben groter dan hun eigen maag en uiteindelijk toch voor de winst zorgen van de uitbater.

 

Maar deze twee scharminkels, voor mij alleszins, waren duidelijk uit op een nieuwe poging om de eigenaar failliet te doen gaan. Ze lieten geen enkele gelegenheid voorbij passeren om méér en verschillende stukken pizza te aanvaarden, waaronder zelfs de rapvullende chocolade-exemplaren. Van elk stuk namen ze dan precies één hapje en stapelden dan het overschot in een bord bestemd voor de “afval”. Na ongeveer tien minuten was het afvalbord stapelvol en begonnen de grote stukken pizza zelfs naar beneden te glijden, vanwege hun eigen gewicht. Ze wenkten vervolgens, zonder enige schaamte, naar de kelner om het bord te vervangen en zo bekwaam te zijn nog meer pizza’s gretig weg te kunnen smijten.

 

Ik kon het, op den duur, niet meer vol houden en vooraleer van de goesting over te gaan naar de daad en het bord afval in hun vuile smoele rond te draaien heb ik mezelf omgekeerd aan de tafel en gewalgd van de afkeer. Ik wenste toen en zal er eeuwig voor blijven bidden, dat ze beiden, vroeg of laat, maar hoe vroeger hoe beter, werkelijke honger zullen lijden, zodat ze God zullen smeken diene weggesmeten pizza terug voorgeschoteld te krijgen.

 

Die twee absoluut smerige kontwijven.

 

De volgende dag, aan diezelfde tafel, kwamen er zich vijf mensen aanbieden: een koppel met twee kinderen en de vader, heel waarschijnlijk, van de moeder. Hij zag er vermoeid uit en draaide waarschijnlijk al rond de zeventig. Hij ondervond in het oog springende moeilijkheden bij het stappen en werd daardoor bruusk vooruit gestoot door de vrouw die het geduld niet kon opbrengen op hem te wachten. Hij struikelde als het ware over zijn eigen benen, maar kan nog juist op de stoel neerploffen toen hij al bijna geveld was. Eerst dacht ik dat hij iets aan het uitkramen was, maar beter beschouwd stelde ik vast dat zijn gehele mond en kaken maar vooral zijn lippen beefden en trilden van de geleverde inspanning. Meteen werd ik bleek van de woede...

 

De kindjes weigerden dicht bij hem plaats te nemen en de ouders schikten de tafel zodanig dat zij en de kindjes aan één kant van de acht-stoelen-tafel plaats namen terwijl hij, de geminachte, aan de tegenovergestelde kant werd gezet. Letterlijk. Ze bestelden pizza-aan-de-lopende-band en iedereen begon gulzig hun verschillende porties binnen te slingeren, uitzondering gemaakt voor de ouderling, waarschijnlijk gepest met zijn prostaat en met de ziekte van Alzheimer al goed op weg. Nochtans had de kelner een bord net vóór hem, op de tafel, geplaatst. Ze bestelden voor zichzelf een lekkere fles rode wijn en voor hem, een simpel glas coca. Vanzelfsprekend geplaagd door de dorst bracht hij, met bevende vingers, om de halve minuut het glas naar zijn bevende mond, zeker en vast omdat hij ook honger had. Voortdurend negeerde de vrouw, met haar heen en weer wankelende wijsvinger, een duidelijke nee vertegenwoordigend, naar de kelner, elke keer hij van plan was een stuk pizza op zijn bord te leggen. Hij wist blijkbaar ook niet precies naar waar hij toegestaan was zijn gezicht te richten en vermeed rechtstreeks zijn familie aan te kijken. Af en toe wees hij, met een trillende wijsvinger, naar iets dat zich op het Tv-scherm afspeelde, maar niemand schonk hem enige aandacht. Hij was duidelijk alleen en verlaten, alhoewel omringd door zijn naaste familie en kampte zonder enige twijfel met een reclamerende maag, maar zij, zijn aanwezige erfgenamen dus, hadden natuurlijk ook wel eerst overwogen dat iemand die niet eet, ook niet in zijn broek zal kunnen schijten.

 

Ik heb weeral eens moeten walgen van het zicht en ik heb me, deze keer toch niet, van stoel verplaatst, om in de andere, tegenovergestelde richting, te kijken, omdat hij af en toe ook zijn blik in mijn richting wendde en ik niet de indruk wilde geven dat ik niet met hem méé leefde.

 

Ik heb weeral eens ernstig gebeden en vooral hartstochtelijk gewenst dat zijn dochter later aan diezelfde ziekte zal ondergaan, als ze zover zal geraken, terwijl haar kinderen ongeduldig op haar einde aan het trappelen zullen zijn.

 

Dat smerig kontwijf.

13:59 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.