24-08-10

Chez Sherry

Zijn echte naam weet ik niet, maar hij heeft zichzelf gedoopt met de verlokkelijke naam “Sherry”. Ik vermoed dat hij eigenlijk “Cherie” bedoelde, maar omdat hij gebuisd is geweest in zijn vijfde studiejaar, zoals ik trouwens, en hij nooit Frans heeft gestudeerd, alhoewel hij daar nu spijt van heeft, in rekening genomen de “chique”-heid die er mee gepaard gaat, heeft hij zijn fantasienaam op zijn uithangbord dus waarschijnlijk verkeerd gespeld.

 

Men moet geen waarzegster zijn om te begrijpen dat hij uiteraard een overtuigde en onbeschaamde homo is om zichzelf met zo een indrukwekkende naam te bezegenen. Hij is bovendien een haarkapper en zelfs niet één van de goedkoopste van de streek. Hij is het beroep aan het voortzetten van zijn moeder, die over Afrikaanse voorouders beschikt. Ze doen allebei aan eeuwenoude bijgelovige praktijken en het zou me niet verwonderen bewaarden ze, bij hen thuis, gene helehoop popjes met naaldjes erdoor geprikt. Misschien sommige buren vertegenwoordigend, of bepaalde familieleden en wie weet misschien zelfs ook enkele klanten die nog niet betaald hebben.

 

Ze hebben mij ene keer echt verrast toen ik er voorbij passeerde en er binnenin een wolk rook zweefde. Ik dacht meteen aan brand en wilde terstond de brandweer roepen, maar de twee zaten daar zo zalig binnen, zonder te panikeren, dat ik veronderstelde dat ik me blijkbaar aan het vergissen was. Dus besloot ik maar niet te overhaastig te handelen en toen ik, enkele momenten later twee werkmensen binnen zag stappen en de vloer begonnen te verwijderen, begreep ik dat het zich om een Afrikaans ritueel betrof, geprepareerd om de geesten voor te bereiden op een verandering in hun omgeving. Het was geen echte brandrook, maar wierrook. Aliás, ik heb nooit begrepen waarom de geesten zoveel van rook houden. Of ze zijn in de rook opgegaan of ze zijn in de rook verdwenen.

 

Een collega van de drank, een Portugees die eens een enorm restaurant had beheerd en terug was gezakt naar uitbuiter van een eng cafeetje (niet omdat hij zelf zo erg van de drank genoot, maar eerder omdat zijn eigen zonen zijn zaak plunderden), had mij verwittigd dat het zich om een ware mannenverslinder betrof. De homofiel, bedoel ik. En waarlijk, het aantal grote, forse en jonge mannen die daar geregeld binnen stapte, zonder hun haar te doen, was aanzienlijk.

 

Het begon me echter maar echt te verbazen toen ik geregeld politiemoto’s en wagens voor zijn deur begon aan te treffen. En duidelijk gedurende hun diensturen. Die agenten bleven daar buiten wat rond slenteren en roddelen terwijl ze hun “cacetetes” bepotelden, tot ze binnen werden geloodst, voor enkele minuutjes toch, waar ze dan prompt in hun zakken tastten, niet om er geld uit te halen natuurlijk, maar wel om er enkele briefjes in te foefelen. Het passeerde door mijn hoofd dat ze waarschijnlijk hun beloning kwamen incasseren, na een nacht vol met lust en passie, terwijl de schone madammetjes waarvan hij net hun haar aan het oprakelen was, ook begrijpend, argwanend naar zijn handen loerden, waarschijnlijk met de bedenking van waar ze die allemaal wel gestoken zouden kunnen geweest zijn, of welke worsten allemaal omvat en of ze wel goed gewassen waren geweest sedertdien, want ze stonken nog een beetje, diene smerige vuilaard, met al zijn drang om zijn handen in donkere gaten te wringen en ge weet al niet wáár anders..

 

Hij was al verre over de dertig, misschien zelfs dichter bij de veertig, met lang ingeweefd en geverfd haar, groot en mager en niet onsympathiek, vooral als men hem van verre bezichtigde. Grote platvoeten had hij ook, gelijkend op die van skischoenen. Over schoenen gesproken, ik begrijp niet hoe juist hij eraan is geraakt, maar op den duur begon hij rond te pronken met die botten (laarzen) eigen aan politieagenten, waarschijnlijk om duidelijk te maken dat hij van de “troep” was en men best niet op zijn tenen moest trappen.

 

Het ongeluk wilde dat de vele bedelaars die hier dagelijks rond tjolen en niets zien en niets willen weten, zich s´nachts aan zijn deur begonnen te verzamelen om daar gezellig wat crack te roken en alhoewel hij daar zelf heel waarschijnlijk ook geen schrik van had, hij dat toch niet gepast vond, vooral ook omdat ze er gebruik van maakten om, in de vroege morgen, eens goed te pissen en te kakken en hij overwoog dat alhoewel hij zijn vingers ook geregeld in de uitlaatbuis schoof, dat vóór zijn winkel niet deftig was. Zijn vriendjes van de politie hebben hen daar ‘s nachts eens opgezocht en gewend aan de stank, de boel opgekuist en de bedelaars weg gejaagd, maar aangezien die niets wilden weten en zich ook niets herinnerden, er de volgende avond terug te vinden waren.

 

Het heeft geen weken geduurd vooraleer ze nogmaals terug gevonden geweest zijn, deze keer definitief, boven op een stapel oud huisvuil, in de “Lixão de Muribeca”, de plaatselijke vuilnisstortplaats, waar ze, zonder meer, verslonden zijn geweest door de Urubu’s, grote zwarte vogels met gepaste bekken, geschikt om de dode geraamten er beter mee uit te kunnen pluizen...  

19:40 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.