13-12-09

George Perman (vervolg van de vorige post)

... en dus terugkerend op George, doordat hij vele keren zijn glas liet bijgieten, ´s avonds, vooral met whisky, was hij er ook gewend aan geraakt vroeg te gaan slapen en bijgevolg stond hij op, samen met de haan, terwijl de eerste zonnestralen aan de horizon, ver over de zee, verschenen.

Dat is te zeggen, terwijl hij nog gezond was natuurlijk, want hij hield ervan kilometer lange wandelingen op het heerlijke strand van "Boa Viagem", in Recife, te ondernemen, terwijl de zon, ferm al op dat moment, op zijn bijna complete kletskop, voorhoofd en kastaar van een neus, brandde. Hij waande zichzelf ongenaakbaar en wuifde gezellig naar elke belangrijke mens die hij voorbij passeerde, kende of herkende, terwijl hij ook de schoonste vrouwtjes liefkoosde, de lelijkste en de armste verwaarlozend..

Ik herinner me nog uitstekend ons eerste persoonlijk contact, toen ik daar uiteindelijk verzeild was geraakt met de bedoeling de verkoop van offset drukmachines in de streek te stimuleren en hij me meteen uitnodigde samen te gaan middagmalen. “Middagmalen” was bij manier van spreken eigenlijk, want het geleek meer op een “banket” en we waren bekwaam ons “eten” zodanig lang uit te rekken dat het zelfs tot ver over de drieën duurde. Het eten was wel overvloedig, maar de drank, integendeel, eindeloos.

Toen ik definitief naar Recife verhuisd ben, op eigen iniatief en zonder eerst op zijn uitnodiging gewacht te hebben (wat niet iedereen zomaar aanvaart en waardoor ik eerst twee jaar in het zwart heb moeten werken, want hij weigerde me op de pay-roll van het filiaal te zetten) vermoedde hij dat ik mezelf als een indringer zou gedragen. Naargelang hij me echter beter heeft leren kennen, heeft hij vast gesteld dat ik ongevaarlijk was voor zijn post, tot de firma besloot het filiaal helemaal op te doeken (wegens aanhoudend, jaarlijks, verlies) en ik alleen ben achter gebleven. Ik ben er nog altijd niet echt van overtuigd dat hij inderdaad mijn vrouw heeft doen verkrachten, maar indien positief, dan zou ik het hem niet vergeven, vroeg hij mij nu, op zijn sterfbed, om genade.

Naargelang onze verhouding kloeker werd en ik, alsmaar bekwamer te bewijzen dat hij, op gebied van drank, me niet zomaar onder de tafel zou slagen te drinken, schoof hij alsmaar dichter en dichter bij mij aan, mij zelfs uitnodigend de zondagnamiddagen, samen met zijn familie, door te brengen, of enkele glazen whisky, in zijn kantoor, ’s avonds na de werkuren, uit te zuipen, terwijl hij aan zijn neus prutste en ik aan een bubbeltje op mijn arm peuterde en hij me vroeg waarom ik dat deed, zonder iets over zijn eigen neus te reppen en ik geduldig naar hem luisterde, wetend dat hij vier kinderen had, maar dat er geen enkele zo dicht bij hem vertoefde en hij van mijn aanwezigheid profiteerde om zich van zijn eenzaamheid te verlossen en ik me realiseerde dat ik, vroeg of laat, van hetzelfde probleem zou lijden en wij begonnen te gelijken op een vader en een zoon (de Heilige Geest vertegenwoordigd door de drank) en ik de indruk kreeg dat hij een zoon zoals ik altijd gewenst had: iemand waarmee hij samen zou kunnen drinken om zijn gemoed te luchten...

Het was intussen een publiek geheim geworden dat hij er een minnares op nahield, zijn eigen secretaresse BTW, die duidelijk op zijn geld uit was en er niet voor terug deinsde zijn vrouw (een plastische artieste) uit te dagen, vooral op de eindejaar's feestjes, waneer ze dacht de voornaamste plaats te mogen innemen aan de tafel, naast hem en recht had op bepaalde voordelen, terwijl zijn waarlijke vrouw, enkele stoelen verder, verkoos beschaafd te blijven. 

Op die zondagnamiddagen, wanneer ik mijn Harley Davidson uit de garage haalde om de aandacht te trekken van zijn kleinkinderen, zoals mijn Peter eertijds ook had gedaan met mij, was overvloedig drinken weeral de boodschap en moest ik me meestal bedwingen om de andere, rechtsgezinde, aanwezige mensen niet te kwetsen met mijn onafhankelijke gedachten.

Nu weet ik niet precies hoe het met hem gaat, maar ik weet wel dat de kanker op zijn neus zich heeft verspreid naar andere plaatsen in en aan zijn hoofd en beenderen en dat hij nog maar amper veertig kilo’s weegt, in vergelijkenig met de honderd twintig die hij oorspronkelijk onderhield, dat zijn minnares ook nooit ne meer is opgedaagd en dat hij niet alleen nemeer recht kan staan en de hulp van iedereen nodig heeft, vooral van zijn vrouw, waar hij volledig van afhangt en die hem blijkbaar alles heeft vergeven.

Hij ligt al jaren tussen het leven en de dood, ze hebben zijn ruim en belangrijk huis verkocht om de onkosten te kunnen betalen en ze hebben hem in een eng appartementje geplaatst, waar een verpleger hem elke dag het gat komt afvegen, terwijl hij zelfs niet meer bekwaam is naar het strand te strompelen om zichzelf te verdrinken...

Het lot is wreed.

20:15 Gepost door Rudoris | Commentaren (0) |  Print

De commentaren zijn gesloten.